Iedereen Doctorandus (4)

Schrijvers van echte brieven, daar moeten we zuinig op zijn. De meeste correspondentie in Nederland bestaat waarschijnlijk uit ambtelijke schrijvens. In dit bloeiende genre is een nieuw sub-genre in opkomst: de bestuurder die even laat zien wie de baas is.

Een prachtig voorbeeld werd onlangs op de post gedaan door het College van Bestuur van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Dat bestuur zag zijn kans schoon toen een docente bosbeleid 22 september op deze pagina reageerde op stukjes die ik in september over de universiteiten als doctorandus-fabriek schreef. Heleen van Haaften, de auteur, ging vooral in op mijn stelling dat nogal wat leden van het wetenschappelijk personeel wel weten dat zij steeds meer studenten steeds minder te bieden hebben, maar geen kans zien daar wat tegen te doen. Of het niet durven.

Pas op, schreef Van Haaften op de opiniepagina, landelijk hebben velen zich misschien koest gehouden, maar binnen hun universiteit hebben academici zich wel degelijk geroerd. Maar dan moesten zij kiezen tussen wel of niet aanpassen aan de heersende bureaucratische mythen. Bovendien werd de strijd steeds ongelijker: in Wageningen, schreef zij, is tussen '72 en '90 bezuinigd op wetenschappelijk personeel, terwijl het universitair gevormd personeel van het centrale bureau van de universiteit groeide van één naar vijftig man.

Van Haaften beschreef bovendien hoe zwaar onderzoeksopdrachten en -geld van buiten richting en inhoud van het wetenschappelijk onderzoek binnen de universiteit zijn gaan bepalen. En zij memoreerde hoe het Wageningse College van Bestuur de nieuwe koers met vaste hand doorvoerde. Samenvattend constateerde mevrouw Van Haaften dat studenten “in feite worden opgelicht met het verlenen van de doctorandustitel waarvan de eisen wel degelijk in de Wet op het Hoger Onderwijs beschreven staan”.

Het was een pittig stuk, gebaseerd op een lange ervaring en een duidelijke, persoonlijke analyse, maar geen schotschrift. Eerder een poging de plaatselijke universitaire discussie te verbinden met de landelijke. Want, ondanks de verschillen in stijl per universiteit: overal zijn de apparaten van beheer en beleid gegroeid ten koste van het echte werk. E.J. Bomhoff beschreef eind september op deze pagina een soortgelijke ontwikkeling bij het bureau van de Erasmus Universiteit.

Overal moet iedereen doen alsof een drs-titel 18-karaats is, ook al wordt het onderwijs vaak afgeraffeld en is er te weinig geld om studenten via de tweede fase het walhalla van het wetenschappelijk onderzoek binnen te leiden. De universiteiten zijn overladen met vooral sociale doelstellingen, zonder het bijbehorende geld, en dan maar doen alsof alles en iedereen even goed is.

De drie top-bestuurders van de universiteit in Wageningen hebben mevrouw Van Haaften geschreven hoe zij over haar soort bijdragen denken. Deelname aan het maatschappelijk debat keuren zij niet af, integendeel. “Met name ten aanzien van Landbouw en Milieu mag een kritische houding vanuit onze universiteit worden verwacht. Vanzelfsprekend gaan wij er daarbij zonder meer vanuit dat deze bijdragen worden geleverd vanuit een verantwoorde wetenschappelijke stellingname en dat de feiten correct worden weergegeven.”

Voelt u em? Even laten weten wie de normen stelt en dan royaal aangeven dat meepraten best mag, liefst over Landbouw en Milieu. (Hoe halen ze het in hun hoofd? Zou een Wagenings universitair docent niet in een krant een mening mogen geven over de WAO, of het Verdrag van Maastricht?) Ter verdere insnoering van de gegunde vrijheid van meningsuiting wordt geëist dat zulke publieke bijdragen wel wetenschappelijk verantwoord moeten zijn. Zijn de drie leden van een College van Bestuur geroepen om vast te stellen wat wetenschappelijk is? Twee van de drie worden er niet op uitgekozen en de derde komt per definitie te weinig aan zijn vak toe zolang hij in dat college zit.

Dit is nog maar het begin van deze brief. De bijdrage van mevrouw Van Haaften heeft bij het college “geen waardering kunnen oproepen”. Dat kan gebeuren. Vervelender is dat het college schrijft over “hele en halve onwaarheden”, zonder aan te geven welke dat zouden zijn. Vrij onwetenschappelijk, maar de echte intimidatie komt nog. Houdt moed, lezer.

Het college distantieert zich van de over Wageningen verstrekte gegevens. “Het negatieve beeld dat u schetst van de Nederlandse universiteiten en van de Landbouwuniversiteit Wageningen komt geheel voor uw rekening.” Ja, dat haalt je de koekoek. De heren wordt helemaal niet gevraagd of zij artikelen op opiniepagina's in den lande voor hun rekening willen nemen.

Na het “betreurenswaardig” te hebben genoemd dat zij op deze wijze publicitaire aandacht “werpt” op de Nederlandse universiteiten en de Wageningse in het bijzonder, maakt college-voorzitter ir. M.P.M. Vos zich op voor de genadeklap.

“Het lijkt ons gewenst dat u zich nog eens ernstig vergewist van het antwoord op de vraag waarom u nog bij een universiteit werkzaam bent. De wijze waarop u zich thans over de universitaire instellingen en derhalve uw collega's heeft uitgelaten vraagt om rechtzetting van foute en verdraaide gegevens. De mate waarin u zichzelf gediskwalificeerd heeft, laten wij gaarne over aan uw eigen oordeel.”

Uw positie is onhoudbaar, maar oordeelt u zelf. Hoe galant. Wie deze in het lieflijke Gelderland gecomponeerde slotalinea goed op zich laat inwerken, ziet voor zijn geestesoog de leden van een politbureau in de Sovjet-Unie, de DDR of China. Duizenden van die vreugdeloze epistels hebben zij al gedicteerd: “..rechtzetting van foute en verdraaide gegevens.., ..gediskwalificeerd.. Heropvoeding is geboden. Houdt de eer aan u zelf!”

De brief heeft onmiskenbaar stalinistische trekken. Zonder enig argument wordt een ondergeschikte tot vertegenwoordiger van een foute leer bestempeld. "U heeft misbruik gemaakt van het recht op discussie.'

Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat Colleges van Bestuur van andere universiteiten in Nederland anno 1992 tot dit soort gedrag geneigd zouden zijn. Dat de bestuurlijke en politieke ontwikkelingen aan de Nederlandse universiteiten tot deze buitenissige Wageningse reactie hebben kunnen leiden, is wel een teken aan de wand. Bestuurders die in de bureaucratische mallemolen zo doorslaan, zijn niet alleen in een ernstig isolement geraakt, zij hebben geen flauw benul meer wat een universiteit is. Eén troost: zij hoeven na dit soort brieven niet meer bang te zijn dat "ondergeschikten' in de academische discussie nog onbekommerd voor hun mening zullen uitkomen. Ook niet over landbouw en milieu.