Het dreigende einde van een exportsucces

Bijna twee derde van de wereldexport van snijbloemen komt uit Nederland. Na twintig jaar tomeloze groei staat de positie van de kwekers onder druk. Een sanering in de sector kan de vooruitzichten verbeteren.

De meest succesvolle sector van de Nederlandse economie, de produktie en distributie van snijbloemen, dreigt het kopje te laten hangen. Het warme weer zorgde dit jaar voor overvloedig aanbod en lage prijzen, maar de branche kent structureler bedreigingen. Zo neemt de internationale concurrentie toe, vooral van EG-lidstaat Spanje en het Afrikaanse Kenia. Binnenslands kampen de kwekers met strenge milieu-eisen en gebrek aan personeel en ruimte voor hun "warenhuizen'.

De afgelopen twintig jaar heeft de teelt van rozen, chrysanten, anjers en fresia's - om de belangrijkste bloemen te noemen - zich explosief ontwikkeld. De jaarlijkse groei bedroeg sinds 1975 zeven, acht procent en meer, zo blijkt uit een recent rapport van het Landbouw Economisch Instituut (LEI), een onderzoeksinstituut van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij.

Drs. Machiel Mulder van het LEI neemt als maatstaf voor groei de netto toegevoegde waarde (opbrengsten minus kosten). Die blijkt vanaf 1975 ruimschoots verdubbeld, van net vierhonderd miljoen gulden tot 1,1 miljard in 1990. De export nam nog sneller toe. Die verviervoudigde tussen 1975 en 1990 van 800 miljoen tot 3,2 miljard gulden. Daarmee is Nederland veruit de grootste exporteur van snijbloemen in de wereld. Een sterkte/zwakte-analyse van het Nederlands bedrijfsleven, opgesteld in opdracht van de ministeries van onderwijs en wetenschappen en economische zaken, wees in september 1990 uit dat snijbloemen 's lands sterkste exportprodukt vormen. De branche kent, zo becijferden de onderzoekers, een concurrentiekracht die haar een aandeel in de wereldexport had opgeleverd van 63,9 procent.

Die groei in omzet ging de voorbije jaren gepaard met een flinke uitbreiding van het aantal bedrijven en het aantal hectares "onder glas'. Nederland telt nu een kleine 5500 bedrijven die snijbloemen kweken (4500 in 1975), met een totaal oppervlak in kassen van bijna 4000 hectare, tweemaal zoveel als in 1975. Naast uitbreiding van het areaal is de teelt van bloemen sterk geïntensiveerd. Haalde een rozenkweker in 1975 nog gemiddeld 155 bloemen van een vierkante meter, tegenwoordig is dat gemiddeld 230. Ook bij anjers en chrysanten is de produktie per meter fors gestegen.

Het succes van de snijbloemteelt is niet zozeer te danken aan de lage kostprijs van de bloemen, integendeel. In Nederland zijn ze, door de hoge grondprijzen en de verwarmingskosten, zelfs vrij duur. Het succes is vooral gestoeld op de intensieve samenwerking tussen de verschillende schakels in de keten van producent naar consument.

Die hechte band is al zichtbaar bij de producenten. De meeste bloemenkwekers zijn lid van een studieclub. Dat houdt in dat ze bedrijfsgegevens uitwisselen en regelmatig bij elkaar komen om teelttechnische en andere problemen te bespreken. Terwijl ze toch eigenlijk concurrenten van elkaar zijn.

Ook het zeer Nederlandse veilingsysteem is gebaseerd op onderlinge samenwerking. De bloemenveilingen in Nederland zijn coöperaties, dat wil zeggen dat ze eigendom zijn van de aangesloten kwekers. Dank zij de veiling hoeven de kwekers niet zelf naar de markt om hun produkten te verkopen, maar kunnen ze zich volledig richten op kwaliteit en kostprijs. Ze leveren de bloemen en "de klok' bepaalt de prijs die ze voor hun produkt krijgen. De veiling verzorgt de afrekening, de groothandel zorgt voor verdere distributie.

De veiling speelt een centrale rol bij het openleggen en ontwikkelen van nieuwe markten, zegt ir. Jacques Teelen. Hij is directeur van Bloemenveiling Holland te Naaldwijk, met twee miljard gulden omzet Nederlands grootste veiling op die van Aalsmeer na. Bloemen, vertelt Teelen, waren en zijn in vele streken een lokaal produkt. Je kon ze niet bewaren en niet verpakken. Maar veilingen zagen afzetkansen op verderafgelegen markten. Op hun instigatie is in Nederland de technologie en de logistiek ontwikkeld om bloemen ook in het buitenland af te zetten.

Pag 16: Liever concurrentie onder de veilingklok dan in de supermarkt; Buitenlandse concurrentie drukt marge snijbloemtelers

Daarbij kijkt men niet op een paar kilometer. Verse bloemen uit Holland zijn zelfs te koop op de straathoeken van New York en Tokio. Een spectaculair staaltje van distributie, dat wel, maar economisch gezien heeft het niet veel om het lijf. Niet alleen stellen zowel Japan als de Verenigde Staten enorm hoge fytosanitaire eisen, maar ook de transportkosten zijn hoog. Nu de dollar drastisch in waarde is verminderd, zijn de opbrengsten nauwelijks toereikend voor rendabele export.

Voor de Nederlandse bloementelers is de Europese markt verreweg het belangrijkste, stelt Teelen. De grootste afnemer is Duitsland, dat circa de helft van de geproduceerde snijbloemen afneemt. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bezetten met respectievelijk 14 en 10 procent de tweede en derde plaats.

De afzet dreigt nu te stagneren. Boosdoener is de recessie; als het economisch slechter gaat, valt een luxe artikel als bloemen onder de eerste goederen waarop wordt bezuinigd.

Ook komt de Nederlandse afzet op de Europese thuismarkt in de knel door buitenlandse concurrentie. Concurrentie die de bloementelers in feite zelf in huis hebben gehaald via hun veilingen. Zo worden bloemen uit Israel, Spanje, Kenia, Zimbabwe en nog een handvol andere landen verhandeld over de Nederlandse klokken. Het idee daarachter is, aldus voorzitter (en tuinder) Van Marrewijk van Bloemenveiling Holland, dat je moet zien te voorkomen dat producenten uit die landen zelf afzetmarkten gaan ontwikkelen. Liever concurrentie onder de klok dan in de supermarkt.

Een bijkomend voordeel is dat telers uit warmere landen bloemen kunnen aanbieden in de winter, als de Nederlandse telers het, deels, laten afweten. De veiling hoeft haar klanten in die periode geen nee te verkopen.

De ruimhartigheid van de veilingbesturen wordt niet door alle leden/telers gewaardeerd. In het Westland en De Kring (de streek rond Bleiswijk) heeft een groep telers zich verenigd onder de naam "Samen Sterk'. De groep wil de buitenlandse import aan banden leggen. Vooral in mei. In die maand worden veel bloemen afgezet (Moederdag) en is de aanvoer van Nederlandse telers net in volle gang. Tegelijk komt echter ook nog steeds een aanzienlijke stroom bloemen uit Spanje aan. Het grote aanbod drukt de prijs aan de veiling, wat de Nederlandse telers stoort. Hun marge blijft namelijk klein, omdat ze voor die vroege bloemen vaak hoge verwarmingskosten hebben moeten maken.

De import en re-export van relatief goedkope buitenlandse bloemen kan op termijn in het nadeel van de Nederlandse bloementeler werken. Een recent rapport van de Rabobank, opgesteld met het LEI, stelt dat de Nederlandse bloemensector daarom zijn strategie moet wijzigen. Tot nu toe lag het accent vooral op "veel, goed en goedkoop'. De omzetten stegen, maar de marges daalden. Volgens de bank dienen de bloementelers zich meer te richten op marktsegmentatie: kwaliteitsprodukten selecteren, waarvan vaststaat dat mensen er extra voor willen betalen.

Bloementeler Cees Havenaar uit Bleiswijk volgt zo'n strategie al. Waar vorig jaar fresia's stonden, komen nu de langwerpige groene bladeren van de amaryllis boven de grond. De amaryllis levert meer op dan het "standaardassortiment' bloemen. Het telen ervan vereist, anders dan de teelt van fresia's, nogal wat technische kennis en hulpmiddelen. Zo moet de temperatuur van de grond worden afgewisseld om de plant tot bloei te brengen, terwijl ook mestgift en kasklimaat nauwkeurig moeten worden geregeld. Havenaar: “In Spanje kunnen ze wel fresia's telen, maar met amaryllis hebben ze, denk ik, meer moeite.”

Naast toenemende concurrentie uit onder meer Israel, Spanje en Kenia wordt de groei van de snijbloemensector bedreigd door gebrek aan personeel. Bij verschillende teelten, zoals die van chrysanten en fresia's, hebben de kwekers te maken met forse pieken en dalen in de arbeidsbehoefte. Het is moeilijk mensen te vinden om die pieken op te vangen. Daarom nemen tuinders soms illegaal in Nederland verblijvende buitenlanders in dienst. Een tuinder die anoniem wil blijven: “Van het arbeidsbureau beloven ze dat er 's maandag drie man komen. Staat er maar eentje voor de deur. Als er zich dan iemand meldt, ga je niet vragen of hij wel een verblijfsvergunning heeft.”

Het tekort aan personeel bedreigt de produktiegroei van een aantal soorten bloemen. Veilingvoorzitter Van Marrewijk: “Ik vrees dat we moeten erkennen dat de Nederlandse arbeidsmarkt niet is ingesteld op arbeid die twee keer per jaar gedurende een periode van vier tot zes weken moet worden verricht. We moeten toe naar teelten, waarbij je het jaar rond mensen aan het werk kunt houden, zoals bij rozen.”

Een probleem voor de kwekers vormen ook de strengere milieu-eisen van de overheid die de uitstoot van meststoffen en bestrijdingsmiddelen sterk wil reduceren. Dat streven is begrijpelijk, erkennen de telers, maar ze hebben moeite met het tempo waarin en de manier waarop dat zou moeten gebeuren. Ze beperken zich immers al tot het hoogst noodzakelijke, zeggen ze.

Bloementeler Havenaar in Bleiswijk heeft zijn hoop gevestigd op biologische bestrijdingsmethoden zoals die in de groenteteelt steeds meer worden gebruikt. Maar gezien de fytosanitaire eisen van veel landen - er mag geen virusplekje op het blad zitten, geen spinnetje uit een bos bloemen vallen - zijn chemische middelen vooralsnog onontbeerlijk, meent hij.

Om de milieubelasting door de bloementeelt te beperken, richt de overheid zich op invoering van zogeheten gesloten systemen - systemen die voorkomen dat ongewenste stoffen als bestrijdingsmiddelen in het milieu terechtkomen. Dat betekent in veel gevallen dat gewassen 'los van de grond' groeien; op steenwol of in bakken met veen.

Havenaar zet zijn anjers al enkele jaren niet meer in de grond maar in plastic bakken, gevuld met turf. Het water voor deze bloemen, met daarin restanten meststoffen, wordt echter niet opgevangen voor hergebruik, maar gewoon geloosd. Omdat anjers erg gevoelig zijn voor ziekten en omdat er nog geen betrouwbare systemen zijn om het water te ontsmetten, ziet Havenaar voorlopig weinig heil in een compleet gesloten systeem. Ook voor de amaryllis of "grote gewassen' als de chrysant ontbreken geschikte technieken. Ze staan nog steeds liever met hun wortels in de grond. Maar hergebruik van het water, zegt Havenaar, is op den duur onvermijdelijk.

Kwekers zijn overigens nog niet zo enthousiast over gesloten systemen. Hun collega's in de paprika's en tomaten toonden eertijds meer geestdrift. De reden is dat de groentetelers onder glas hun opbrengsten met een kleine tien procent konden verhogen. Bij de teelt van snijbloemen maakt het, qua opbrengst, niet uit of de bloemen worden geteeld in de grond, of op steenwol of veen. Dat weerspiegelt zich in de cijfers. Waar paprika- en tomatentelers bijna allemaal zijn omgeschakeld, is dat bij de bloementelers nog geen tien procent.

Voor het jaar 2000 wil het ministerie van landbouw de teelt van snijbloemen nog slechts toestaan in gesloten systemen. De daarvoor vereiste investeringen zullen een aantal kwekerijen de das omdoen. Machiel Mulder voorspelt dat 15 tot 25 procent van de 4000 Nederlandse bloementelers die milieu-investeringen - globaal ruim 200.000 gulden - niet kan opbrengen. In tegenstelling tot andere sectoren in de land- en tuinbouw werken bloementelers met een vrij groot aandeel vreemd vermogen, gemiddeld 57 procent. Voor nieuwe investeringen zullen ze veelal een beroep moeten doen op leningen van de bank, waardoor hun rentelasten nog drukkender worden. Nu al overleven veel kleinere tuinders slechts door heel lang te werken voor weinig geld en genoegen te nemen met een laag rendement op het eigen vermogen. “Juist deze bedrijven zullen de extra rentelasten niet op kunnen brengen en daardoor gedwongen worden hun bedrijf op te doeken”, aldus de LEI-functionaris.

Hoe vervelend bedrijfsbeëindiging ook is voor de individuele bloementeler, voor de sector als geheel zou het weleens een blessing in disguise kunnen zijn: de "blijvers' kunnen immers uitbreiden, waardoor grootschaliger en efficiënter kan worden gewerkt. En schaalvergroting is juist een van de factoren die Economische Zaken twee jaar geleden noemde als voorwaarde voor het behoud van concurrentiekracht.