Heimwee

Dichters, homoseksuelen en emigranten, ze zijn alle drie misplaatst. Door hun creativiteit, hun averechtse geaardheid en hun letterlijke buitenstaanderschap tarten ze het nuchtere verstand, de maatschappelijke norm en de burgerlijke honkvastheid.

Alle drie zijn ze er op uit - soms uit roeping, soms uit noodzaak - de wereld te herscheppen. Ze zetten vraagtekens achter de zekerheden van waarneming, samenleving en plaats. Alle drie zijn ze bezig andere banden met de wereld aan te gaan dan de geijkte en de erkende. Hun gedeelde status is die van de illegaliteit.

De dichter, de homoseksueel en de emigrant, ze doorbreken verstarde patronen. Ze zijn het favoriete doelwit voor spot en verachting van de kant van eerlijke zakenlieden, sterke mannen en goede vaderlanders. De dichter zet het nut, de homoseksueel de orde en de emigrant het groepsinstinct op hun kop. Ze zijn excentrieken, alle drie.

Dichter ben ik sinds ik leerde schrijven. Homoseksueel ben ik sinds ik leerde lopen. En nu ik bijna tien jaar in Portugal woon heb ik ook alle zegeningen en bitterheden leren smaken van de banneling, de uitgewekene. Ik verenig, realiseer ik me, de drieëenheid van dichter, homoseksueel en emigrant in me - ik ben er geen heilige door geworden. Eerder een vrolijke bedrieger.

Iemand die zich niet wil, niet kan of niet mag conformeren raakt bedreven in het zoeken van listen. Listen met de taal, met de officiële norm, met de instanties, met de omgeving. De listen die de dichter gebruikt om het onalledaagse alledaags te laten klinken heb ik wel onder de knie. De listen die de homoseksueel gebruikt om het onmaatschappelijke een respectabel tintje te geven eveneens. Maar de listen die de ontheemde nodig heeft om zich in een vijandige omgeving te handhaven ben ik nog volop aan het leren.

De meeste expatriates maken zichzelf sterk door, zodra ze bij elkaar zijn, kwaad te spreken over de autochtonen, door in schelle kleuren te schilderen wat er allemaal niet aan ze deugt. Het lijkt - van welke nationaliteit de expatriates ook zijn en in welk land ze zich ook bevinden - een onuitroeibaar fenomeen, een ritueel. Ze maken een caricatuur van hun omgeving, roepen dat het er stinkt en denken vervolgens de enigen te zijn die vrij ademen. In werkelijkheid hebben ze zich, ver van hun natuurlijke omgeving, een pijnlijk zuurstofmasker opgezet.

Maar ook als men zich niet tot die ordinaire kunstgreep wil verlagen, blijft het probleem bestaan dat een serieuze assimilatie onmogelijk is. Pogingen daartoe hoeven niet eens op verzet of onbegrip te stuiten van de vreemdelingen waartussen men zich als vreemdeling bevindt, ze worden de emigrant als het ware opgedrongen doordat hij is uitgesloten van communicatie, gemeenschappelijkheden, tradities, het sociaal verkeer dat op vanzelfsprekendheid berust - en van, als som van dit alles, de taal. De taal is het enige wat ik heb. En waar ik woon heb ik geen naam, heb ik geen stem.

Heimwee.

De emigrant spreekt er nooit over en het vergezelt hem voortdurend. Het is geen heimwee naar vaderland en geboortegrond, het is het heimwee naar al datgene waarvan hij zich nooit meer zal kunnen losmaken. Een lichtval, een glinsterende straatsteen, een lied.

Zijn ware list bestaat eruit zijn tekorten in winst om te zetten. Hij kan de kennismaking met een andere cultuur als een verrijking ervaren. Hij kan inzien dat verandering van perspectief de omvang van zijn blikveld heeft vergroot. Hij kan het waarderen dat hij door de afstand hoofd- en bijzaken beter heeft leren onderscheiden. Hem valt de troost ten deel dat hij de waarde van vriendschappen intenser beseft. De nood dwingt hem met zoete dwang dieper te graven in zijn taal - en in zichzelf.

Als buitenstaander wordt men op de proef gesteld hoe sterk men is. Sommigen bezwijken, anderen worden er krachtiger door. Een kracht die zichzelf bij al te grote tegenwind moet overschreeuwen door buien van euforie, maar die op haar best leidt tot het trotse gevoel: mijn thuis is overal, de wereld is mijn huis.