"Groen beleggen', wat valt daar onder en wat niet?

ROTTERDAM, 21 OKT. Het voorstel van de PvdA om het beleggen in milieuvriendelijke projecten fiscaal te bevorderen is sympathiek, maar tegelijk zetten andere politieke partijen en financiële instellingen vraagtekens bij de criteria waaraan milieuvriendelijke beleggingen moeten voldoen. Onduidelijkheid over het "groene' karakter van een belegging vergroot de mogelijkheden voor oneigenlijk gebruik van een fiscale regeling.

Het probleem is welke beleggingen zouden moeten profiteren van een gunstiger belastingregime, waarbij geen belasting wordt geheven op de rente en dividenden van "groene' rekeningen. Het VVD-kamerlid Van Rey vroeg zich gisteren hardop af of ook een dochteronderneming van Shell die milieuvriendelijke produkten maakt onder de nieuwe regeling zou vallen. Dat kan niet de bedoeling zijn van de PvdA.

Maar ook bij het milieuvriendelijke karakter van de bestaande groene of ethische fondsen kunnen vraagtekens worden gezet. Zo noemt het vorig jaar geïntroduceerde Andere Beleggings Fonds (ABF) drie criteria waaraan bedrijven moeten voldoen: geen kernenergie, geen betrokkenheid bij wapenproduktie en wapenhandel, en geen relaties onderhouden met landen met onderdrukkende regimes of waar mensenrechten worden geschonden.

Het ABF belegde in 1991 zeventig procent van het fondsvermogen in Nederlandse staatsleningen. De Nederlandse overheid voldoet niet aan de drie bovenstaande criteria. Ook de obligaties van de Wereldbank in de portefeuille van het ABF voldoen niet aan de strenge voorwaarden. Veel projecten van de Wereldbank zijn grootschalig en spelen zich af in landen die niet democratisch worden bestuurd.

Banken en commissionairs staan niet alleen huiverig tegenover groene beleggingen als gevolg van onduidelijkheid over de criteria, ook de sterk wisseldende resultaten spelen een rol. Daarnaast schatten de banken de bereidheid van het publiek om milieuvriendelijk te beleggen aanzienlijk lager in dan op grond van enquêtes wordt verondersteld.

Eind 1990 wees een NIPO-enquête uit dat 63 procent van de effectenbezitters in ons land belangstelling heeft voor zulke fondsen. Het overgrote deel wilde zelfs wel genoegen nemen met een lager dan gemiddeld rendement.

Het Britse effectenhuis James Capel, dat al langer ervaring heeft met "groene' portefeuilles, wijst erop dat de koers van een "groen' fonds bij een hogere markt over het algemeen sneller stijgt dan andere aandelenkoersen, maar het slechter doet in een periode van lagere koersen. De betere koers van een groen fonds in een stijgende markt wordt veroorzaakt door het gebrek aan bedrijven die kunnen doorgaan voor milieuvriendelijk. De koers van een fonds dat wel het predikaat "groen' krijgt is daardoor vaak overgewaardeerd en bijzonder gevoelig voor slecht nieuws.

Een voorbeeld van een dergelijk fonds, dat door James Capel als groen wordt aangeduid, is Norit, gespecialiseerd in de produktie en afzet van actieve koolsoorten. Tot het Deense referendum in juni profiteerde Norit meer dan andere fondsen van de stijgende Nederlandse aandelenmarkt. Maar de beursmalaise na het Deense "nee' tegen Maastricht resulteerde voor Norit in een koersdaling van maar liefst 41 procent. De meestgebruikte graadmeter voor de beurstemming, de EOE-index, daalde in dezelfde periode slechts 2,7 procent.