EG-klap komt hard aan in Slowaakse staalindustrie; Importbeperking van staal in deel EG dwingt Tsjechoslowakije wellicht tot verlaging produktie

KOSICE, 21 OKT. Een milde najaarsmorgen in Kosice. De ruime straten met huizen in alle denkbare pasteltinten schitteren in het vroege ochtendlicht. In het park bij de St. Elisabeth-kathedraal zitten oude mensen op de banken te praten, te lezen, te kijken, te dommelen. Het lijkt een provinciestadje, waar het leven een paar tempi lager ligt.

Maar dat is niet meer dan schijn. Met 260.000 inwoners, meestal gehuisvest in de eenvormige blokken flats waarmee de wijde omgeving van de plaats is bezaaid, is Kosice na hoofdstad Bratislava de tweede stad van Slowakije en het belangrijkste centrum van de Tsjechoslowaakse staalindustrie.

Op een terrein van 7,5 vierkante kilometer ten westen van de stad groeide hier vanaf 1959 een gigantisch complex van hoogoveninstallaties, koeltorens, elektriciteitscentrales, walserij-hallen, spoorlijnen en bedrijfsgebouwen dat in en sinds kort ook buiten Tsjechoslowakije bekend is onder de naam Vychodoslovenske Zelezarny (VSZ), Oostslowaakse ijzergieterij.

Want het was de sterk toegenomen export van koudgewalst plaatstaal uit Kosice die de Europese Commissie er vorige maand toe bracht om Frankrijk, Duitsland en Italië toestemming te geven importbeperkingen op te leggen op staal uit Tsjechoslowakije. Die beperkingen houden in dat de Tsjechoslowaakse export van een drietal staalprodukten naar de drie EG-landen dit jaar met niet meer dan 20 procent mag groeien. Omdat, zo oordeelde de Commissie, de Tsjechoslowaakse producenten het staal tegen dumpprijzen op de Europese markt gooien, prijzen die 20 tot 30 procent onder die van de staalbedrijven in de EG liggen.

“Onzin”, zegt Dion'yz Kunder, vice-voorzitter van de raad van bestuur van VSZ. “We verkopen niet tegen dumpprijzen, onze kosten zijn nu eenmaal lager dan die in het Westen. We hebben goedkopere arbeid, dat is waar, en onze afschrijvingen zijn lager, maar onze grondstoffen kopen we in dollars, tegen wereldmarktprijzen.”

Kunder, een dynamische vijftiger met grijze stekeltjes en een vastberaden oogopslag achter zijn brilleglazen, is verontwaardigd over de “verschrikkelijk bureaucratische maatregelen” die de Europese Commissie heeft genomen. “Het was eenvoudig een directieve, ons werd niet eens de mogelijkheid geboden om onze handelspolitiek aan te passen. En net nu we hier in Oost-Europa van verstandige mensen hebben geleerd dat de markt de allesbeslissende rechter is en dat minder-presterende bedrijven het loodje moeten leggen worden er administratieve regels gedicteerd. Van de opening van de grenzen hebben tot dusver alleen de Westerse bedrijven geprofiteerd. Die hebben de markten voor consumptiegoederen in Oost-Europa overstroomd met hun produkten en profiteren ook van het feit dat de arbeidskracht hier nog goedkoop is. Met het gevolg dat veel plaatselijke bedrijven de poorten hebben moeten sluiten. In sommige delen van Oost-Slowakije is de werkloosheid nu al 20 procent.”

De klap die VSZ te verwerken krijgt door de importbeperkingen is hard aangekomen. Hoe hard is moeilijk te kwantificeren, zegt Kunder. “Het zal ons resultaat - vorig jaar bedroeg de winst 4,5 miljard kronen, bijna 290 miljoen gulden, bij een omzet van 50 miljard (3,2 miljard gulden) - in elk geval negatief beïnvloeden. Het is moeilijk om dichtbij nieuwe klanten te vinden. We proberen dat op onze traditionele markt, maar ook daarbuiten, in Azië bijvoorbeeld. Maar we houden er rekening mee dat we onze produktiecapaciteit opnieuw moeten verminderen.” Tussen 1989 en 1991 werd de produktie al beperkt van 4,4 miljoen tot 3,8 miljoen ton per jaar.

Ondanks het feit dat die inkrimping zo'n 9.000 van de 20.000 arbeiders in de staalindustrie hun baan heeft gekost is er van hoge werkloosheid in Kosice geen sprake: ongeveer 7 procent. Sterker nog, VSZ heeft via een vooral door president-directeur Zoltan Berghauer in gang gezette diversificatiepolitiek het aantal werknemers van de VSZ-holdingmaatschappij en haar dochterondernemingen van 20.000 tot 32.000 doen toenemen. Bovendien beschikt de holding over aandelen in veel bedrijven, van reisorganisaties tot spaarbanken.

Ján Baca, pr-man van het bedrijf en in zijn stoofpeerkleurige katoenen kostuum met bijpassende das het wandelende bewijs van de moderne aanpak, licht de filosofie van het staalbedrijf toe: “De diversificatie had enerzijds tot voordeel dat overtollige arbeidskrachten konden worden opgevangen, anderzijds dat geld dat anders buiten het bedrijf zou worden uitgegeven, zoals voor vakanties, nu terugkomt.” Het "kleindochterbedrijf' Ferrotour VSZ bijvoorbeeld verzorgt het hele dienstenpakket van buitenlandse zakenreizen tot korte vakantietrips. Het winstoogmerk staat daarbij niet op de voorgrond, zegt Baca. “Ons belangrijkste doel is verbetering van de dienstverlening, hogere kwaliteit. Onze winst is dat de mensen er werk hebben.”

Behalve de noodzaak tot afslanking en diversificatie zag Berghauer ook de enorme behoefte aan de ontwikkeling van een commercieel apparaat. Baca: “We hadden hier vroeger geen mensen die iets van verkoop afwisten, men produceerde alleen maar zoveel mogelijk zonder zich er zorgen over te maken over de verkoop. Alles werd door het ministerie in Praag geregeld. Berghauer ontwikkelde het idee om ex-technici en zeer jonge mensen aan te stellen op de commerciële afdeling. Ze hadden daarvoor misschien niet de goede opleiding, maar waren wel zeer gemotiveerd. Inzet en initiatief, dat is het belangrijkste.”

VSZ lijkt de moeilijkheden waarmee het bedrijf na het ineenstorten van de staatsmonopolies en het wegvallen van de traditionele markten in de voormalige Sovjet-Unie op die manier goed te hebben opgevangen. Het is een van de weinige winstgevende staatsbedrijven in Slowakije, volgens Kunder.

Het is in deze overgangstijd tussen commando-economie en markteconomie voor Oosteuropese bedrijven die, zoals VSZ, nog voor 100 procent bezit zijn van de staat vooral moeilijk om aan liquide middelen te komen. “Je moet er dus voor zorgen om nieuwe financiële bronnen te vinden om te kunnen investeren”, zegt Kunder. “De banken schrikken ervoor terug om staatsbedrijven krediet te verschaffen en de staatssteun is natuurlijk helemaal opgehouden. Veel bedrijven hier gaan op die manier kapot hoewel ze bijna geen schulden hebben.

Het succes van VSZ is onder meer te danken aan de strategische locatie: het ijzererts wordt per breedspoor aangevoerd uit de duizend kilometer oostelijker gelegen Oekraiense stad Krivoi Rog, terwijl de benodigde kolen uit Ostrava komen, 350 kilometer ten noordwesten gelegen in Noord-Moravië.

Een tweede factor is het lage loonpeil. Een Slowaakse staalarbeider verdient gemiddeld 6.000 kronen per maand, ongeveer 400 gulden, waardoor de loonkosten niet meer dan 5 tot 6 procent uitmaken van de produktiekosten. In Westeuropese staalfabrieken ligt dat percentage tussen de 20 en 28. Maar de verwachting is dat dat voordeel niet zo erg lang zal duren: het peil van de kosten van levensonderhoud en dus ook van de lonen, zal de komende jaren stijgen en uiteindelijk gelijk komen te liggen met dat in het Westen.

Naarmate de loonkosten stijgen neemt ook de automatisering toe. Nu al zijn er in de honderden meters lange hallen voor koudgewalst staal weinig mensen te bekennen. Ja, hier en daar in een controlekamer, waar een eenzame arbeider de gegevens van de veelkleurige computerschermen afleest, of in de hooggelegen cabines van de reusachtige portaalkranen, waar frêle meisjes met behulp van hun zware ijzeren grijparmen jongleren met tonnen wegende rollen plaatstaal. “Vrouwen”, legt Baca uit, “zijn veelgevraagde kraanmachinisten bij ons. Enerzijds omdat het geen zwaar werk is en anderzijds omdat het precisiewerk is.”

De computertechniek is van Franse makelij, een hal verder staat de verzinkingsapparatuur en die is Italiaans. Het bedrijf is voortdurend bezig zijn produktietechnieken te moderniseren en werkt daarvoor nauw samen met het Oostenrijkse staalbedrijf Voest-Alpine. Met het Duitse Intocast werd een joint venture opgezet voor metallurgische keramiek. Ook met Hoogovens staat een project op stapel. Medio 1993 zal een joint venture worden gesticht voor de produktie van verpakkingsmateriaal voor de levensmiddelenindustrie, zoals bierblikjes. Daarin zal VSZ een aandeel van 70 procent hebben, Hoogovens van 30 procent. Het lijkt alsof de rollen langzamerhand worden omgedraaid in de Europese staalindustrie.

    • Frits Schaling