De onderlip van Clinton

NEW YORK - Televisiedebatten tussen politici zijn spannend, amusant en leerzaam als er iemand van het type Ross Perot aan meedoet. Daaruit blijkt wat er aan de normale debatten tussen politici mankeert: ze zijn uitwisselingen van standpunten met een onderbouw van ingewikkelde argumentaties, verwoord in jargon, omgeven met behoedzaamheid. Zo'n debat is geen krachtmeting meer waarin het publiek zich met één van de partijen kan vereenzelvigen. Het is een ingezwachteld gesprek waarin de partners voortdurend rekening houden met een heterogene "achterban' en hun eigen toekomst waarin ze niet aan simpele, radicale uitspraken van vroeger willen worden herinnerd. Daarom is er nooit een fase die "het heetst van het gevecht' mag heten. Niet felheid en directheid maar lauwheid en ingewikkeldheid zijn de beste wapens. Het is niet spannend of amusant en daarmee gaat ook de leerzaamheid verloren.

Iemand als Perot die niets te verliezen heeft, is juist op andere strijdmiddelen aangewezen. Hij kan plompverloren zeggen dat de regering een rommeltje is, zoals hij maandagavond opnieuw deed. In het vervolg daarop verklaarde hij met dezelfde eenvoud, op die toon, constaterend met beleefde minachting, de toon die tegenspraak tot sputteren maakt, dat de voorgeschiedenis van de Golfoorlog een schandaal was dat door een warnet van leugens werd verborgen. Op tafel met de stukken! Clinton, als gouverneur van Arkansas, moest je beschouwen als de baas van een buurtwinkeltje. In het vuur van zijn directheid vergeleek hij vervolgens het hele land met een oude auto waar de president als een mecanicien onder moest kruipen om hem weer op gang te brengen. Perots aandeel bewoog zich tussen de simpelheid van de evidente waarheid en het grootste gelijk van de vismarkt. De voorstelling in haar geheel fleurde er aanzienlijk van op. De beide anderen wonnen daardoor aan "menselijkheid', de eigenschap die niet alleen in de Amerikaanse politiek schaars is geworden.

Het zoeken naar deze "menselijkheid', het lokaliseren van de mens achter of in de politicus, blijft één van de belangrijkste onderdelen van de campagne. Perot maakt het de kiezers gemakkelijk; er is geen politieke make-up opgesmeerd. Daarom is hij populair. Bij de andere twee moet je voortdurend ergens doorheen. “Er is iets aan de gouverneur van Arkansas”, schreef een commentator, “iets aan de manier waarop hij zachtjes op zijn onderlip bijt, de manier waarop hij zijn zinnen in gesuikerde vloeibaarheid laat horen, de manier waarop hij zijn ronde ogen met zijn glimlach combineert, zijn mond even open - er is iets dat eerlijkheid moet suggereren - en, misschien is dat een vergissing: een eerlijkheid met een bedoeling. De bedoeling om door te gaan voor volmaakt.”

Gelaatkunde in de politiek. Dan Quayle, dat is al dikwijls vastgesteld, heeft wel iets van Alfred E. Neumann, de protagonist van het inmiddels ter ziele gegane Mad Magazine. Als je Al Gore goed bekijkt, de onderkaak, de neus, de onverzettelijke blik, ga je veronderstellen dat hij een portret van Dick Tracy, de beroemde detective, boven zijn bed heeft hangen. En wat te denken van George Bush zelf? Het onzekere handgebaar waarmee hij mededelingen van het grootste belang begeleidt, de vuist, van tijd tot tijd gebald uit de zak gehaald, de vage glimlach die een duistere spleet veroorzaakt, althans iets dat niemand vertrouwen kan inboezemen, hoewel het daartoe wel bedoeld is - als het allemaal is ingestudeerd, heeft hij een slechte regisseur.

Of er in al die vergelijkingen en diagnoses een grond van waarheid zit, valt niet te bewijzen, maar in ieder geval zijn ze een aanzet tot politiek effect. Gelaatkunde, de onontwarbare kluwen van vooroordelen en praktische psychologie, is een onvermijdelijk en soms onmisbaar onderdeel van het dagelijks leven. Iets anders is het als zo'n wetenschap tot één van de laatste middelen bij het kiezen van een president wordt.

Gelaatkunde is één van de laatste en gebrekkigste wapens van de kiezer tegen een politiek die zich toelegt op het vervangen van mensen door images. Zo bezien is het nieuwe succes van Ross Perot, zelfs nadat hij deze zomer was weggelopen, een andere kant van hetzelfde vraagstuk. De kiezer probeert voortdurend de politiek te versimpelen door de ingewikkelde werkelijkheid te herleiden tot de "menselijkheid', de eenvoudig te begrijpen zichtbaarheid van de uitvoerders. Het kwakzalverachtige van Perot - “Ik wil het land teruggeven aan degenen van wie het is” - voorziet evengoed in die behoefte als een nadere duiding van de manier waarop Bill Clinton op zijn onderlip bijt.

Toen de televisie haar intrede deed in de politiek, werd dat als een vooruitgang beschouwd. Nu kon iedereen met eigen ogen zien wat de politici waard waren. Tegen die dreiging hebben ze zich gewapend met images en in het bijzonder in de Verenigde Staten heeft men zich erop toegelegd het image van de tegenstander af te breken. De televisie heeft de politiek niet beter gemaakt; hooguit soms onderhoudender als er een Perot meedoet. Het is een bof als leerzaamheid het bijverschijnsel is.