Britse regering heeft bakens kolenindustrie te laat verzet; Mijnwerkers door Major beschouwd als niet te vertrouwen machtsblok

ROTTERDAM, 21 OKT. De problemen met Britse mijnindustrie zijn niet uniek. Overal waar in West-Europa nog aan ondergrondse kolenwinning wordt gedaan zijn mijnen in nood en worden ze gesloten. De binnenlandse kolen zijn veel te duur. Liever laat men ze komen uit goedkope kolenlanden als Australië, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika. Bovendien zijn de meeste Westeuropese geïndustrialiseerde landen al lang overgegaan op het gebruik van olie, gas en kernenergie.

De Australische kolenindustrie is al voor een belangrijk deel in Britse handen. Het Britse conglomeraat Hanson maakte gisteren nog de overneming bekend van een lucratief Australisch kolenbedrijf, van de Britse bouwonderneming Costain. Terwijl de staatsonderneming British Coal verliesgevend is, boekte Costain in de twaalf maanden tot en met juni met de winning van steenkool in drie mijnen in het Australische New South Wales een winst voor belastingen van twintig miljoen pond (55 miljoen gulden).

In West-Duitsland kan de mijnindustrie alleen nog maar bestaan bij de gratie van een jaarlijkse ondersteuning van meer dan 10 miljard mark. In Frankrijk is nauwelijks meer een mijn open. België sloot begin deze maand de laatste mijn, in Zolder, provincie Limburg, omdat de regering in Brussel het welletjes vond na een injectie van 16,5 miljard gulden overheidsgeld in vijfentwintig jaar.

Ook in Oost-Europa zijn de meeste mijnen noodlijdend. Daar is geen geld om ze te moderniseren, waardoor er met oude produktiemethoden en met de inzet van veel te veel arbeidskrachten moet worden gewerkt. Een land als Polen, dat het tot voor kort van de mijnen moest hebben die de handelsbalans door export een positiever aanzien gaven, schakelde dit jaar zelfs over op import van goedkopere kolen.

De landen waar nog kolenwinning plaatsvindt houden de mijnen open omdat ze nog altijd aan vele duizenden mensen werk bieden. Snelle sluiting zou een ontwrichting van het sociale klimaat tot gevolg hebben. In de streken waar de mijnen liggen is vaak geen ander werk voorhanden, zoals in Groot-Brittannië, waardoor ontslagen mijnwerkers direct werkloos worden. In sommige mijnstreken zou het werkloosheidspercentage daardoor abrupt oplopen tot 25 procent. De Anders dan het beleid van British Coal stelt de Duitse kolenindustrie zich ten doel de werkgelegenheid voorrang te geven, boven de economische uitgangspunten.

De meeste landen met kolenmijnen hebben bij het saneren de weg van de geleidelijkheid gekozen. Maar hoe men het ook draait of keert: het ziet er naar uit dat binnen een paar decennia - misschien zelf slechts een paar jaar - in heel West-Europa waarschijnlijk geen kolenmijn meer te vinden zal zijn.Wat de Britse situatie van die in de rest van Europa onderscheidt is dat British Coal, daartoe gedwongen door het kabinet-Major, op slag 31 van de 50 nog bestaande mijnen had willen sluiten, welk aantal onder druk van politiek en publieke opinie nu voorlopig is teruggebracht tot 10. Voornaamste oorzaak van deze drastische sanering en de massa-ontslagen die eruit voortvloeien, is dat twee Britse energiegiganten, de elektriciteitsproducenten PowerGen en National Power hebben besloten minder kolen en meer Noordzeegas te gaan gebruiken.

Achterliggende gedachte van Major c.s. is wellicht dat de mijnwerkers worden beschouwd als een niet te vertrouwen machtsblok, dat in 1984/85 door een marathonstaking nog in staat was de economie lam te leggen en de regering-Thatcher aan de rand van de afgrond te brengen. Een wapenfeit dat zich nu dreigt te herhalen. Want al zijn de kolen dan ook bijna afgedankt, het mijnwerkerslegioen is nog sterk genoeg om voor sociale en politieke onrust te zorgen. Daarom ook probeerde men de kompels in Groot-Britannië koest te houden met een gouden handdruk, die tot boven de 100.000 gulden per man kan oplopen. Maar daar lijken de mijnwerkers voorlopig niet in te stinken. Ze hebben gelijk: de oprotpremie zal als sneeuw voor de zon verdwijnen; wat overblijft is aansluiting bij het werklozenleger.

Beter zou de Britse regering kunnen zorgen voor fasering in de mijnsluiting en vervangend werk voor de arbeidsplaatsen die vervallen. In Nederlands Limburg, waar in de jaren zestig en zeventig alle mijnen dichtgingen, was die belofte destijds heilig. Hoewel het de nodige moeite heeft gekost, kan nu worden gesteld dat de herstructurering in Limburg aardig is geslaagd. Een voordeel voor Nederland was dat er voldoende alternatieve energie in de vorm van het aardgas van Slochteren aanwezig was. Daardoor kon de regering de mijnsluitingen in de jaren '60 snel op gang brengen.

Landen als Groot-Brittannië, Duitsland en België kijken een beetje jaloers naar Nederland. Maar ze hebben de bakens veel te laat verzet. Zoals de Britse regering nu ondervindt, rechtvaardigt dat nog geen al te drastisch "inhaalbeleid' door plotseling de beuk in de kolenindustrie te zetten.

    • Max Paumen