"Afgelasten van mislukt toneel voorkomt publieksbedrog'; Theatermakers willen flexibiliteit; Steeds meer gezelschappen stellen hogere eisen aan de kwaliteit van hun voorstellingen

Het lijkt of toneelgezelschappen de laatste jaren steeds vaker belangrijke voorstellingen aflasten, wanneer deze niet aan de verwachtingen voldoen. Vorige week nog viel het doek voortijdig voor de muziektheaterproduktie Joshe Kalb door het Theater van het Oosten, omdat volgens regisseur Leonard Frank het gewenste niveau niet werd gehaald. Eind september voerde de Toneelgroep Amsterdam de toneel/opera/balletproduktie Toren van Kaneel twee weken voor de première van het programma “wegens gebrek aan artistieke kwaliteit”. Het maken van een toneelstuk is vaak, zeker als het om wat "moeilijk', experimenteel toneel gaat, een riskante onderneming waarvan men het eindresultaat niet goed kan voorspellen. Meestal lukt het wel het beoogde niveau te bereiken, maar het is logisch dat er af en toe ook iets mis gaat. Gezelschappen zijn ook steeds meer bereid de hand in eigen boezem te steken en het publiek niet op te schepen met een benedenmaatse produktie.

Het begon eigenlijk in 1987 toen Toneelgroep Amsterdam in haar beleidsplan vastlegde dat voorstellingen die tijdens het repetitieproces niet aan de artistieke maatstaven bleken te voldoen, niet zouden worden uitgevoerd. Zakelijk leider Gerrit Korthals Altes: “Daar hebben we ons consequent aan gehouden. We hebben het vier keer bij de hand gehad. Het overkwam ons al met de allereerste voorstelling, die we na een week van het repertoire hebben gehaald. Wij vinden dat we het publiek niet moeten opschepen met stukken die we zelf slecht vinden. Vroeger werden ze wel uitgevoerd en ongeacht de kwaliteit 40 tot 50 keer gespeeld. Dat was een ramp, je bedriegt het publiek op die manier. De Toneelgroep Amsterdam is indertijd begonnen rigider eisen aan de kwaliteit te stellen en je ziet dat nu ook bij andere gezelschappen gebeuren.”

De “grootste klap” voor de Toneelgroep Amsterdam was volgens Korthals Altes de aflasting van Wetterstein van Wedekind enkele seizoenen geleden. “Dat was buitengewoon pijnlijk. Wetterstein was een grote-zaalproduktie met muziek. We hadden er maanden aan gewerkt, er waren decors en kostuums voor gemaakt. De gaten die vallen in de programmering van de theaters kun je nooit helemaal opvullen met andere stukken. Financieel betekent het ook een strop, afhankelijk van de grootte van de produktie. De kosten van een grote produktie liggen tussen de twee en drie ton.”

Het gevoel dat toneelgezelschappen letten op de kwaliteit van hun stukken werkt op de lange duur positief, vindt Korthals Altes. “Schouwburgdirecteuren vinden het vreselijk, maar over het algemeen heeft men er wel begrip voor dat we geen slechte stukken willen brengen. Het probleem geldt natuurlijk veel minder als een groep een eigen theater bespeelt. In dat geval kan je veel makkelijker een voorstelling inlassen en kun je bovendien stukken die goed lopen langer blijven spelen.”

Het feit dat aflastingen zoveel moeilijkheden voor de programmering van theaters opleveren pleit voor een flexibeler systeem, vindt directeur Frans Lommerse van de Toneelschuur in Haarlem. “Aflastingen zijn er altijd en om allerlei redenen geweest”, zegt hij. “Het is altijd vervelend en problematisch, maar het hoort er nu eenmaal bij en ik vind het goed en in het belang van de kunst dat slechte voorstellingen niet doorgaan. Hier vinden we altijd wel een oplossing, want we programmeren op korte termijn, een maand van tevoren. Het is vooral een probleem voor de theaters die een jaar van tevoren programma's en abonnementen vastleggen”.

Meer flexibiliteit in de theaterprogrammering is ook wat artistiek leider Peter de Baan van het RO-theater in Rotterdam graag ziet. Ook RO heeft in het recente verleden een aflasting gehad. “Artistiek gezien vind ik het een goede ontwikkeling. Het is onzin om met iets door het land te reizen waarin je niet gelooft, dat is voor het publiek ook totaal oninteressant. Maar wat de theaters opbreekt is dat ze deze ontwikkeling niet bijbenen”, zegt De Baan.

Het Nederlandse toneelbestel is volgens De Baan dringend toe aan reorganisatie. Het huidige stramien waarbij gezelschappen en theaters een jaar tot anderhalf jaar van tevoren de speeldata vastleggen, vindt hij veel te strak. Daarnaast gaan gezelschappen er volgens hem te vanzelfsprekend van uit dat elk stuk op tournee moet. De Baan: “Joshe Kalb was al verkocht tot 22 december. Daar zit de fout. Voorstellingen met een hoog risico, zoals het RO-theater ook vaak maakt, zou je eerst een paar weken in de eigen standplaats moeten spelen waar je een eigen publiek hebt dat met je in discussie wil gaan. Als een stuk daar wortel heeft geschoten, moet je het pas verkopen. Ik ben ook van plan dat vaker te gaan doen. Maar dat vereist een flexibiliteit waarop het Nederlandse toneel niet is ingericht. Nu is een voorstelling na 40 tot 50 keer spelen weg, ook als het een succes is en er nog best meer mensen naartoe willen. Het RO-theater zou absoluut een groter publiek kunnen bereiken, als we niet muurvast zaten in de programmering van de schouwburgen. We zijn hard bezig met een ander soort planning in de toekomst, zodat de artistieke impulsen de motor van de produktie worden. Maar het is de koersverlegging van een supertanker, daar gaan wel een paar jaar overheen. We zijn in overleg met schouwburgdirecteuren en ze willen nu september als reprisemaand instellen, maar dat is een slap aftreksel van wat er eigenlijk zou moeten gebeuren.”

Direct getroffene van de meest recente aflasting is de Schouwburg Arnhem, waar Joshe Kalb een week in de kleine zaal zou spelen. Het Theater van het Oosten bestaat niet uit een groep vaste acteurs, maar contracteert medewerkers per voorstelling, zodat er ook geen vervangend stuk kon worden gespeeld. Henk Boerhof, adjunct-directeur van de Schouwburg Arnhem, heeft begrip voor de situatie. “Het is natuurlijk rampzalig als zoiets gebeurt”, zegt hij. “Er zijn kaartjes verkocht, die moeten worden terugbetaald, abonnementhouders moeten worden aangeschreven. Tegenover het verlies aan inkomsten staat natuurlijk dat we zo'n avond geen onkosten hebben. Het publiek begrijpt het meestal wel, maar heeft ook een gevoel van teleurstelling. Als het een paar keer gebeurt, lopen ze de volgende keer niet zo hard meer naar het toneel. Maar ik vind het wel beter dan mensen een slechte voorstelling voor te zetten en na afloop te horen dat ze liever naar Studio Sport hadden gekeken.”

Programmeren op korte termijn is moeilijk, vindt Boerhof. “Het is niet zo dat mensen komen niet op een bepaald gezelschap afkomen en dan wel zien wat er gespeeld wordt, ze willen van te voren weten naar welk stuk ze gaan. Wij maken ieder jaar een programmaboek voor het hele seizoen op grond waarvan bezoekers een keuze maken. Als je flexibeler wilt werken, heb je bovendien gezelschappen nodig met een repertoire waaruit ze kunnen putten en met vaste acteurs. Maar van die groepen zijn er maar een paar.”

Voor regisseur Leonard Frank was de aflasting van Joshe Kalb, een stuk naar een boek van I.J. Singer, een van de moeilijkste ervaringen van zijn leven. Frank: “Het is verschrikkelijk om mee te maken. Het kost vertrouwen, geld en aanzien. Als ik nu terugdenk, wist ik eigenlijk al vanaf de eerste dag van de repetities dat het niet goed ging. Je voelt dat de ziel ontbreekt, dat je jezelf geweld aandoet. Het was ook niet beter geworden als we langer repetitietijd hadden gehad, of het een tijd voor publiek hadden kunnen uitproberen. Ik had me tot doel gesteld met dit stuk inzicht te geven in de chassidische cultuur die in de oorlog in Europa is uitgeroeid en alleen nog maar in Brooklyn en Jeruzalem bestaat, maar de voorstelling gaf dat inzicht niet. Zeker met zo'n onderwerp moet je op je hoede zijn en consequenties trekken wanneer je ziet dat het niet goed is. Deze keer heb k vastgesteld dat het mislukt was. Maar een andere keer is het misschien weer omgekeerd: dan trekt het publiek die conclusie, of de recensenten”.

    • Gerda Telgenhof