Zwarte erotiek Raritan, vol.XII no.1. 164 ...

Zwarte erotiek Raritan, vol.XII no.1. 164 blz.,$5. 31 Mine Street, New Brunswick, New Jersey 08903 USA

Ernst en plezier Ambit 129. 96 blz.¢85. 17 Priory Gardens, Highgate, London N6 5QY.

Loensende vrouwen De Gids 155/9. Meulenhoff, 77 blz.ƒ14,90

Zwarte erotiek

De Canadese schrijfster Nancy Huston woont al twintig jaar in Parijs. Ze publiceert behalve artikelen, korte verhalen en romans ook minder gebruikelijke genres, zoals briefwisselingen die speciaal voor publikatie in boekvorm gevoerd werden, en een kinderboek in samenwerking met haar negenjarige dochter. In Raritan staat een opmerkelijk stuk van haar: "Erotic Literature in Postwar France'. Ze vraagt zich hier af op welke manier de Franse schrijvers in de jaren vijftig met het thema Eros reageerden op de shoah; op Thanatos die zich in de jaren daarvoor zo bruut aan hen had opgedrongen. “All of their political and literary sophistication had been unable to prevent it. (-) They did not fall silent - on the contrary.” De wrede Markies de Sade móést wel gerehabiliteerd worden; Blanchot, De Beauvoir, Bataille en Paulhan hielden zich niet zomaar intensief met hem bezig. “It was as if the mass murders committed by a totalitarian regime could only be grasped if apprehended through the paradigm of rape or sexual torture, conceptualized in terms of transgression, ecstasy, and love-unto-death, explained away by the irrepressible immorality of the libido. Auschwitz would become recognizable, and therefore cognizable, if it was compared to the macabre fantasies of de Sade.”

Huston veroordeelt Sartre, Genet, Bataille en De Beauvoir omdat zij te gemakkelijk, te gretig parallellen trokken tussen concentratiekampwreedheden en de "zwarte erotiek'. Quasi verbaasd vraagt ze waarom Paulhan en Bataille, in respectievelijk L'Histoire d'O en theoretische werken over dood en sensualiteit, wellustige wreedheden beschreven in verre tijden en verre landen, terwijl de recente geschiedenis zoveel te bieden had aan gruwelijks. Met Marguerite Duras, en haar hoogst gecompliceerde relatie tot geweld en genot, heeft Huston aanzienlijk meer moeite om haar instinctief gunstiger oordeel te funderen.

Lang niet alle naoorlogse erotische literatuur mag als een soort "bevrijding' gezien worden, meent Huston. In een flink aantal gevallen werd er een geweten mee gesust, werd het Kwaad onschadelijk gemaakt: “In het Frankrijk van de jaren vijftig móésten kernbommen en gaskamers gebruikt worden in liefdesverhalen, móést as van de A-bom vermengd worden met liefdeszweet, mocht de dood niet langer blind, massaal en anoniem zijn maar begeerd en vol vreugde begroet door een verliefde vrouw. Zo kon het verschrikkelijke overgedaan worden - maar zonder de vernietiging van wil en verlangen - en, dankzij dit herschrijven, vervolgens getemd en uitgedreven worden. Erotisme noir gaf een groep Franse schrijvers en hun lezers de gelegenheid deel te nemen in een beperkte versie van de onbeperkte gruweldaden waarvan ze getuige waren geweest.”

Raritan, vol.XII no.1. 164 blz.,$5. 31 Mine Street, New Brunswick, New Jersey 08903 USA

Ernst en plezier

Martin Bax' beleid voor zijn literaire tijdschrift Ambit is even simpel als universeel: “Mix it. The big boys with the new boys and girls. The pictures with the words. The funny with the serious.”

Dit kwartaalblad werd opgericht in 1959 door Bax als medicijn tegen naoorlogse Angst en ennui. Trouwe medewerker Peter Porter (1929) opent het nieuwe nummer met enkele epigrammen en gedichten die kenmerkend klinken; een beetje kritisch en een beetje grappig: "The gorilla agrees to masturbate more often / to encourage visitors and save the Zoo'.

Ambit heeft een oplage van 2000 exemplaren, waarmee dus niet al te veel Angst en ennui bestreden kan worden. Het behoort daarmee tot de kleinste onder de Engelse little magazines. Ter vergelijking: Stand 4500, Poetry Review 4000, Granta 100000, en London Magazine 4500. (Ter verduidelijking: een blad als de Church Music Quarterly kent een oplage van 15000, het weekblad Dog World van ruim 32000 - nog iets meer dan de 30000 van het wekelijkse TLS).

Van George Macbeth (1932-1992) werd zijn laatste, onafgemaakte prozafragment opgenomen. Net als Porter en een paar andere vaste Ambit-medewerkers was MacBeth lid van The Group in de jaren vijftig en zestig. The Group was een soort werkgroepje van schrijvers die op informele bijeenkomsten elkaar hun werk voorlazen om het samen te kunnen bespreken. Eerste voorwaarde was dat de gedichten en prozafragmenten direkt begrijpelijk moesten zijn, zodat geen eindeloze uitleg de gesprekken hoefde te verstoren. Maar dat was meer dan dertig jaar geleden. De verstaanbaarheid is inmiddels voor Porter niet zo belangrijk meer, hoewel het ontspannen taalgebruik gebleven is. Hij sneert tegen de critici die vinden dat hij en andere dichters te moeilijk zijn, te ingewikkelde vormen gebruiken om hun emoties in te verpakken en verhullen. “Why bother to be clever if your feelings work, / why not cry on cue (or cry at Kew) / and please the millions waiting to be pleased?”

MacBeth is de oude principes trouwer gebleven. "Talbot at Sixty' is glashelder, eenvoudig en vermoedelijk autobiografisch: de aftakeling van een zestigjarige man met een ongeneeslijke spierziekte wordt beschreven, opmerkelijk onaangedaan.

De gewenste kruising van ernst en plezier vinden we ook bij James Laughlin, bijvoorbeeld in zijn vers op de zittende president van Amerika, "The Master of Stupidity' - “Our watch-me-do-it-mom leader / is flapping around the world (-) take any burning question / and you can count on George to put / gum in his head and both feet in / his mouth (-) don't worry George / it'll be all right there are / enough dumb jerks around the / country to get you re-elected.”

Uit een bespreking van Rutger Koplands in het Engels vertaalde bundel gedichten, A World Beyond Myself: “I enjoyed this book. It's warm and often moving in its evocation of the ordinary, and a very clear voice comes through in the poems.”

Ambit 129. 96 blz.¢85. 17 Priory Gardens, Highgate, London N6 5QY.

Loensende vrouwen

De tweeënzeventigjarige Geert van Beek publiceert volgend voorjaar zijn twaalfde boek, de roman De tekens van het meisje Cynthia, bij Amber. In De Gids staat een voorpublikatie, met de mooie titel "Die Leisereiterin'. Het gaat hier aanvankelijk over het paard, dat vol overgave geschilderd wordt. “"Een bezienswaardigheid bovendien als een hengst 't lang laat hangen,' vulde ik zijn lyrische beschrijving aan. "Dat geduchte, soepele leren foedraal waarmee hij een merrie te lijf gaat en tot overgave dwingt. - Zeg ik iets onbehoorlijks misschien?”'

Van Beek voert een groepje van drie verhalende vrienden op die allen met een vertelling hun eigen interpretatie geven van een raadselachtig woord - een beproefd genre. De auteur schrijft liefdevol over vrouwelijk schoon en onschuld, maar soms ook meedogenloos - “De dames sloegen met beide handen op de tafel, ze lagen dubbel, Gisela's rode haar uitgespreid op haar servet. Een onderlaag van oud en grauw gaf zich verraderlijk prijs op haar schedel.”

Historicus Léon Hanssen schrijft aan de biografie van Johan Huizinga, wiens drie delen Briefwisseling hij de afgelopen jaren mede bezorgde. In "Versteende bloemen en vervloeiende grenzen. Huizinga en de cultuurkritiek' stelt hij zich de vraag of cultuurkritiek in het algemeen en die van Huizinga in het bijzonder nu juist tijdbetrokken of tijd"onttrokken' moet worden genoemd. “Is de cultuurkritiek wel in staat zich echt los te maken van de tijdgeest waarin zij zelf tot stand komt? Kan zij zich bevrijden van deze doem?”

Hanssen heeft veel gevoel voor gedragen, dramatische zinswendingen die wel passen bij zijn thema, maar wat minder bij Johan Huizinga zelf, die zich wist uit te drukken in het fraaiste heldere Nederlands. “Vanaf zijn vroegste dagen leefde Huizinga in onvrede met zijn eigen tijd. Hij bezag haar met de gesluierde blik van een weduwnaar.” ("Tijd' is echter mannelijk, maar dan wordt Hanssens beeld ineens anders).

Volgens Hanssen is Huizinga's cultuurkritiek voor een deel levend symbolisme, de schittering van "verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen' en voor een ander, uiteindelijk overheersend deel verstard, dood symbolisme, een formalisme waarin "symbolen verworden tot versteende bloemen'.

In "De bewaakte vagina' verbindt Huub Beurskens op verrassende wijze het essay Denken is een lust van Willem Jan Otten met Jean Starobinski, Kafka, Huysmans, eigen jeugdig verlangen, Pyke Koch, Titiaan, Manet, Velasquez, Goya en andere schilders van loensende of wegkijkende vrouwen - “loens, scheel, in het Frans louche.”

Joachim von der Thüsen van de Rijksuniversiteit Utrecht publiceert in De Gids een artikel over "De wrede minnares - Vrouwbeeld en vreemdheidscultus in de negentiende eeuw' met helaas kleine plaatjes van Judiths, Salomé's en andere wrekende vrouwen van Von Stück, Moreau en Rossetti.

De Gids 155/9. Meulenhoff, 77 blz.ƒ14,90

    • Margot Engelen