Vragen blijven over omvang veestapel en mestoverschot; "Het is nog te vroeg om aan inkrimpen van veestapel te denken'

DEN HAAG, 20 OKT. Zal er in 1995 nu wel of niet genoeg capaciteit zijn om dierlijke drijfmest te verwerken tot korrels? En zo neen, moet er dan worden overgegaan tot reductie van de veestapel? Vragen die opnieuw actueel zijn nu TNO en de Heidemij over de industriële mestverwerking hebben gerapporteerd. In het rapport, waarvan de definitieve versie overigens nog moet verschijnen, staat dat de hoeveelheid mest die in 1995 als overschot zal worden beschouwd 2 miljoen ton zal zijn, terwijl de verwerkingscapaciteit dan wordt geraamd op tussen de 0,8 en 1 miljoen ton.

De hoeveelheid van 2 miljoen ton is opmerkelijk. In het beleid werd er tot nog toe steeds van uitgegaan dat het overschot in 1995 6 miljoen ton zou zijn. Om die hoeveelheid te verwerken zouden er dan ten minste 10 mestverwerkingsfabrieken moeten komen.

De door TNO en Heidemij becijferde mestreductie heeft te maken met het feit dat er op bedrijfsniveau maatregelen zijn genomen om het watergehalte van de mest te reduceren. Dat wordt bereikt door in de stallen zuiniger met water om te springen. Verder zijn er veevoeders waarin bestanddelen zitten die er voor zorgen dat het voer door het dier beter wordt benut, waardoor de hoeveelheid mineralen in de uit te scheiden mest vermindert. Ook het transport van mest van overschot- naar tekortgebieden zou redelijk verlopen.

De Stichting Natuur en Milieu greep het rapport van TNO en Heidemij direct aan om opnieuw te pleiten voor een inkrimping van de veestapel, waarbij wordt gedacht aan ongeveer 30 procent. Boerenorganisaties daarentegen verzetten zich daar opnieuw fel tegen. Ze wijzen erop dat veeboeren voldoende financiële draagkracht moeten houden om de milieueisen te kunnen pareren en om hun aandeel te kunnen leveren in de mestfabrieken.

Kamerleden van CDA en PvdA zeggen dat het nog te vroeg is om aan inkrimping te denken. Ze wachten op het rapport van de ministeries van landbouw en van milieu en van het Landouwschap, dat eind dit jaar of begin volgend jaar zal verschijnen. Dat rapport behelst een evaluatie van de stand van zaken omtrent de mestproblemen en beantwoordt de vraag hoeveel verwerkingscapaciteit er werkelijk nodig is. “Tot die tijd”, aldus het Kamerlid J. van Noord (CDA), “zien we geen aanleiding om over inkrimping van de veestapel te praten.” Hij wijst er op dat er een draaiboek klaar ligt om tot inkrimping over te gaan mocht eind 1994 blijken dat de verwerkingscapaciteit onvoldoende is. Zijn collega J.S. Huys (PvdA) vindt het onjuist om alle boeren te straffen met inkrimping, zo dit ervan mocht komen. Hij ziet meer in een systeem van heffingen op te veel geproduceerde mest zodat boeren, die het slecht doen vanzelf zwaarder worden gepakt.

De enige fabriek voor industriële mestverwerking, die tot nog toe van de grond is gekomen, Promest in Helmond, zegt in een reactie op het rapport van TNO en Heidemij dat het te pessimistisch is over de haalbaarheid van voldoende capaciteit in 1995. Promest heeft plannen voor twee fabrieken met een gezamenlijke capaciteit van anderhalf miljoen ton te verwerken mest in 1995.

Het grootste probleem om tijdig voldoende fabrieken te hebben is niet zo zeer de vraag of ze technisch en financieel te realiseren zijn maar of ze tijdig de benodigde vergunningen zullen krijgen. De maatschappelijke weerstand groeit en tegenstanders vinden voldoende procedurele wegen om de verwerkelijking in ieder geval op te houden. Een andere vraag is of er voor het produkt, mestkorrels, wel voldoende vraag is. Daaraan twijfelen ook TNO en Heidemij. Promest, die op kleine schaal al mest verwerkt, zegt dat er in de wijnbouwgebieden van Spanje en Portugal wel degelijk vraag is naar de korrels. Wijnboeren betalen per ton korrels tussen de 350 en 400 gulden. De opbrengst voor Promest zou 150 gulden per ton zijn.

    • Max Paumen