Veel psychische nood door gruwelen in Joegoslavië; "In de burgeroorlog in Joegoslavië komt de vijand niet van ver'

De oorlog in het voormalige Joegoslavië veroorzaakt naast het andere leed ook veel psychische problemen bij slachtoffers, strijders en hulpverleners. Rotterdamse psychologen reisden dit jaar verscheidene malen naar het land om collega's bij te staan.

ROTTERDAM, 20 OKT. Tijdens een van haar bezoeken aan Kroatië vroeg de psychologe S. Turkovic een achtjarig jongetje zijn geboorteplaats te tekenen. De jongen - afkomstig uit een maandenlang gebombardeerd Kroatisch stadje zonder schuilkelders - maakte een tekening van een brandende kerk, twee tanks, een straat en een huis. Turkovic veronderstelde dat het huis zijn ouderlijke woning zou zijn, maar dat bleek niet het geval. “Het is het huis van mijn beste vriendje”, zei de jongen. Turkovic noemt de tekening van de jongen typerend voor een kind met een oorlogstrauma. “Als gevolg van een emotioneel ontkenningsmechanisme bestaat het huis waar hij opgroeide zelfs in zijn fantasie niet meer.”

Turkovic is van Kroatische afkomst en werkt bij Riagg Rijnmond/Noord-West in Rotterdam. Ze bezocht Kroatië dit jaar vijf keer, enkele keren vergezeld door haar directeur A. Groen en psychotherapeut T. van den Bergh. Doel van de reizen was onder meer Kroatische psychiaters en psychologen te informeren over de behandeling van mensen met oorlogstrauma's. Turkovic gaf diverse cursussen en begeleidde collega's die zich bezighielden met de behandeling van getraumatiseerde oorlogsslachtoffers. Bij de Kroatische minister van volksgezondheid bepleitte ze de oprichting van een nationaal traumacentrum, waar oorlogsslachtoffers centraal kunnen worden opgevangen.

Veel bewoners uit het oorlogsgebied hebben symptomen van het posttraumatisch stress syndroom (PTS), dat zich onder meer uit in nachtmerries, flash-backs, ongefundeerde woede-aanvallen, contactstoornissen, overmatig gebruik van alcohol of kalmeringsmiddelen en een algehele toestand van verdoving. Vaak komen dergelijke klachten pas naar voren wanneer de betrokkene in een relatieve toestand van rust verkeert.

In een psychiatrische kliniek sprak de Rotterdamse psychologe met een Kroatische gardist die met zijn collega's in een dorp was beland waar vlak daarvoor cetniks hadden huisgehouden. Turkovic: “Hij waadde letterlijk door het bloed. Overal lagen menselijke resten waaronder schedels en stukken vlees.” Ondanks zijn afgrijselijke ervaring bleef de gardist gewoon zijn werk doen. Pas toen bij zijn familie terugkeerde, raakte hij in psychische nood.

De psychiatrische zorg in Kroatië loopt volgens Turkovic ten minste vijftien jaar achter bij Nederland. “Bovendien was niemand op deze oorlog voorbereid en zeker niet op het gruwelijke karakter ervan.” Het duurde enige tijd voordat psychiaters ter plaatse oorlogstrauma's konden onderscheiden van een gewone psychose. Veel hulpverleners zijn dermate overbelast dat een aantal van hen zelf ook getraumatiseerd is, constateerde ze. Van een collega hoorde ze wat er gebeurde toen in een psychiatrische kliniek vlakbij Zagreb het luchtalarm afging. “Iedereen vluchtte maar de psychiater bleef verstijfd van schrik op zijn stoel zitten. Door een patiënt is hij uiteindelijk naar de schuilkelder gebracht.”

De burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië heeft een aantal specifieke kenmerken die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van trauma's. Zo komt de vijand niet van ver. “Als je buurman je plotseling aanvalt is dat heel iets anders dan wanneer het een soldaat uit een vreemd land is. Het kost veel meer tijd om zoiets te verwerken.” Turkovic noemt in dat verband ook “de wreedheid van deze oorlog en de onbeschrijfelijke manier van moorden die het conflict tot een psychologische oorlog bij uitstek maken”. Net als andere Europeanen zijn ook de inwoners van het voormalige Joegoslavië opgevoed in het besef dat de excessen uit de Tweede Wereldoorlog nooit meer terug zouden mogen keren. “Die hoop waarmee ze zijn opgevoed, is uiteen gespat. Het bestaan van concentratiekampen is juist daarom extra traumatiserend.” Haar collega Van den Bergh omschrijft de geestesgesteldheid van de bevolking in Kroatië als “een toestand van collectieve depressie”. In de nabije toekomst verwacht hij een drastische toename van scheidingen, criminaliteit, geweld en alcoholisme.

Uit de talrijke gesprekken die ze voerde is het Turkovic eens te meer duidelijk geworden dat voor oorlogsslachtoffers erkenning van hun leed een belangrijke steun kan zijn. “Hetzelfde proces speelt zich af bij slachtoffers van geweld in Nederland”, zegt Van den Bergh. “Mensen die op straat in elkaar geslagen zijn, zeggen altijd als eerste dat niemand van de omstanders iets deed. Dat ervaren ze vaak als een groter trauma dan de feitelijke mishandeling zelf.” In dat verband heeft Turkovic er bij haar Kroatische gesprekspartners dan ook op aangedrongen zo veel mogelijk oorlogsmonumenten op te richten, onder meer voor de slachtoffers van Vukovar. Ook al omdat de geestestoestand van Kroatische oorlogsslachtoffers fundamenteel anders is dan die van bijvoorbeeld Vietnam-veteranen. “De hele bevolking heeft de oorlog meegemaakt. Iedereen weet waarvoor is gevochten. Er heerst trots. Dat is heel belangrijk bij het verwerken van de trauma's.”

De meeste getraumatiseerde Kroaten worden ambulant behandeld. “Ze komen vaak op de eerste-hulpafdeling terecht, krijgen daar een flinke lading kalmeringsmiddelen en worden vervolgens weer naar huis gestuurd”, omschrijft Turkovic de doorsnee procedure. “Een behandelingscultuur van geregelde afspraken en observaties ontbreekt ten enen male, ook al omdat Kroatië in feite nog altijd in staat van oorlog is.” Alleen zeer agressieve of psychotische patiënten worden opgenomen in een kliniek. Op zichzelf is daar niets op tegen, meent de psychologe, want in principe lost een PTS-syndroom zich vanzelf op. “Je moet de mensen duidelijk maken dat het een normale reactie is op een abnormale gebeurtenis.”

Wanneer een PTS-syndroom echter na een halfjaar niet is genezen, kan een PTS-stoornis ontstaan die wel degelijk behandeld dient te worden. Maar het blijkt vaak moeilijk patiënten in zware psychische nood te bewegen zich te laten opnemen. Volgens Turkovic zegt de patiënt: "Hoe komt u erbij dat ik gek ben? Mij is alleen iets vreselijks overkomen.'

Begint in Kroatië de psychiatrische hulp aan oorlogsslachtoffers enigszins op gang te komen, in Bosnië-Herzegovina is daarvan uiteraard geen sprake. Zo kwam Turkovic via een gevluchte moslim-psychiater te weten dat een psychiatrische kliniek vlak buiten Sarajevo door Servische milities is bezet. De geriatrische patiënten zouden zijn geëxecuteerd en de anderen buiten de deur gezet. Nu zou de bewuste kliniek in gebruik zijn voor de opvang van gewonde Serviërs.

De Rotterdamse psychologe sprak niet alleen met slachtoffers maar ook met plegers van oorlogsgeweld. Aan het Servisch-Kroatische front in Slavonië ontmoette ze een Kroatische sluipschutter die bij diverse moordaanslagen als uitkijk fungeerde. “Die jongen had last van nachtmerries. Steeds opnieuw zag hij voor zich hoe burgers die uit hun huizen kwamen gelopen op zijn aanwijzingen door twee collega's waren neergeschoten. Hij wist nog precies wat voor kleur haar ze hadden en welke kleding ze droegen. Die beelden raakt hij niet meer kwijt.”

Volgens Turkovic ondervinden daders en slachtoffers in principe dezelfde symptomen, waarbij ontkenning en verdringing van emoties centraal staan. Ze beschrijft haar confrontatie met een 65-jarige man uit Zvornik die tot het laatste toe in de stad was achtergebleven. Hij maakte de hele belegering mee en was getuige van een groot aantal moorden. Uiteindelijk sloeg hij op de vlucht. Na een voettocht van 23 dagen door de bergen berikte hij Split. “Hij was in staat zijn afschuwelijke ervaringen en zijn zware voettocht keurig in chronologische volgorde te beschrijven”, zegt Turkovic. “Maar de bijbehorende emoties ontbraken.” Ze verwacht dat die in een later stadium zeker boven zullen komen. “Zo iemand is voor altijd veranderd. Wat hij gezien heeft, kan hij niet echt goed overbrengen. Hij kan er wel over praten, maar het beeld, de zintuigelijke waarneming, is niet met anderen te delen. Hij zal zijn ervaringen dus in zijn leven moeten integreren.”

    • Alfred van Cleef