Van techno- naar democratie

Nu het Europese integratieproces - voorlopig? - in het slop is geraakt, is het nuttig de premissen waarvan de founding fathers van Europa indertijd zijn uitgegaan, nog eens aan een kritische beschouwing te onderwerpen. Sommmige van die premissen zijn trouwens stilzwijgend in de mottenkast verdwenen.

Zo spreekt niemand meer over de immanente dynamiek van dat proces; van de bal die, eenmaal aan het rollen gebracht, zou blijven rollen totdat Europa helemaal één zou zijn, economisch en politiek. Ook over de zogeheten "spill-over'-theorie hoor je niet meer spreken: de integratie, in één sector voltooid, zou noodzakelijkerwijs "overlopen' naar andere sectoren.

Al in 1966 zette R.J. van Schaik, die zich toen op Buitenlandse Zaken bezighield met de Europese integratie (en onlangs zijn carrière op dit departement besloten heeft met het ambassadeurschap bij de Verenigde Naties), een vraagteken achter deze theorie.

Hij zette daar een andere theorie tegenover: naarmate de integratie in één sector voltooid raakte, neemt de druk om ook andere sectoren erin te betrekken, juist af. Immers, de pressiegroepen die gestreefd hebben naar integratie in die ene sector, zijn nu tevreden en hebben minder direct belang bij integratie in de andere sectoren.

In hoeverre die tegentheorie wèl opgegaan is, is moeilijk te zeggen. Sinds 1966 is het integratieproces doorgegaan, maar er was wèl telkens een politieke impuls voor nodig. Van automatisme was in elk geval minder sprake dan in de beginjaren verwacht was. Maar van ernstig verzet werd ook weinig gemerkt.

Hoe komt het nu dat de laatste tijd dat verzet wèl de kop heeft opgestoken? In het ene land meer dan in het andere, maar zelfs in Nederland, dat zich altijd zo beroemde op zijn Eurofilie, voelt die regering zich gedwongen Europa aan het publiek te "verkopen'. Hoe komt dat?

Zolang het integratieproces voornamelijk economisch was, was het grotendeels een zaak van regeringen en technocraten. Nu die integratie bijna voltooid is en men, zij het nog zeer aarzelend, overgaat naar de politiek, worden de volken wakker en blijkt dat het moeilijkste werk nog voor de boeg is.

Immers, de economische integratie vergde van de volken geen vereenzelviging met Europa. Wat zij van de integratie merkten, kwam via nationale wetgeving tot en over hen. Met politieke integratie is dat anders. Die vergt van de volken een zekere identificering met Europa, en die is er niet. De volken identificeren zich nog altijd met hun nationale staten (ook als zij tegen hun nationale regeringen zijn).

Met andere woorden: Europa mist nog de nodige legitimiteit, ook al berust het nog zozeer op legale constructies, zoals het verdrag van Maastricht. Het blijft een produkt van technocratisch denken. Dat is niet de schuld van de Brusselse bureaucratie, zoals tegenwoordig mode is te zeggen. Die doet haar best, al moet zij soms in niet door haarzelf geschapen vacua stappen.

Is het dan de schuld van de nationale regeringen, verenigd in de Ministerraad, zoals Jacques Delors in een tegenaanval beweert? Eerder. Dat wil zeggen: de regeringen hebben te veel de meegaandheid van volken voor vanzelfsprekend gehouden.

Ze hebben gedacht dat na de Tweede Wereldoorlog het nationalisme voorgoed dood was. Dat was ook wel zo, in zoverre als het Westeuropese nationalisme zich - op enkele, zeer belangrijke uitzonderingen na - niet meer verlustigt in de grandeur van de eigen natie. Maar dat betekent niet dat de natie niet nog steeds het enige herkenbare referentiekader is en de nationale staat de enige aanvaarde gesprekspartner of klaagmuur. Overheveling van die functie naar het als vreemd beschouwde Brussel of Straatsburg wordt niet aanvaard.

Dàt nationalisme heeft niets te maken met parades, vlagvertoon en Wilhelmusgevoel, maar meer met de vrees verworvenheden - bij de één de verzorgingsstaat, bij de ander de D-mark - te verliezen aan een onbestemd en onbekend gezag, dat bovendien in het buitenland zetelt. Meer bevoegdheden aan het Europese Parlement zou die vrees niet verkleinen, want dat wordt ook als vreemd beschouwd.

Deze gevoelens worden wakker wanneer de volken wakker worden. En dat de volken wakker worden, kunnen democraten slechts toejuichen. We hebben dus met het paradoxale verschijnsel te maken dat de tegenwoordige tegenzin tegen Europa ontstaan is doordat de volken er - eindelijk - meer bij betrokken raken. Democratie heeft een onverwacht effect.

Of zoals Dominique Wolton schrijft in het eerste nummer van het maandblad Le Monde des Débats (oktober 1992): “Men beseft met moeite de breuk die de overgang van het technocratische naar het democratische Europa betekent. Van het ogenblik af dat de volken werkelijk deelnemen aan het proces, wordt alles ingewikkelder dan toen een modernistisch "commando' Europa maakte. Maar dat is de prijs die aan de massademocratie betaald moet worden”.

    • J.L. Heldring