Uitkomst Bosio-zaak ondermijnt geloofwaardigheid van parlement; De Bijzondere Commissie-Bosio, die vandaag met de Kamer debatteert, bezit een vertrouwelijke nota van het ministerie van justitie, die een totaal ander licht werpt op de Bosio-zaak

Mag een Kamerlid het parlement belangrijke informatie onthouden omdat de gegevens hem via een niet officiële weg hebben bereikt of om de identiteit van een politie-informant te beschermen? De zes leden van de Bijzondere Commissie Bosio, die vandaag over de conclusie van hun onderzoek met de Kamer debatteren, zouden hierop een duidelijk antwoord moeten geven. Deze commissie is immers in het bezit van een vertrouwelijke nota van de afdeling Staats- en Strafrecht van het ministerie van justitie, die een totaal ander licht werpt op de zogenaamde Bosio-zaak. In het document staat dat een medewerker van de Amerikaanse narcoticabrigade, H.J. Parisius, de Nederlandse politie heeft misbruikt door voor haar als informant te fungeren terwijl hij zelf drugstransporten naar Nederland opzette. Dezelfde DEA-agent werkte in 1983 in een bedrijfje dat door Economische Zaken werd gesubsidieerd en waarvan de directeur de Franse ondernemer Michel Bosio was. Toch heeft de Bijzondere Commissie-Bosio in haar rapport aan de Kamer geen melding durven maken van deze cruciale informatie. De identiteit en de handelingen van de DEA-drugshandelaar werden hierdoor aan het oog de Kamerleden onttrokken.

Op 25 juni van dit jaar gaf de bijzondere commissie uit de Tweede Kamer haar definitieve oordeel over de mysterieuze Bosio-zaak. Gesteld werd dat deze affaire helemaal geen affaire is en dat de overheid niets te verwijten valt. Michel Bosio zou zijn zware beschuldigingen uit zijn duim hebben gezogen.

Wat de commissie over het hoofd heeft gezien is dat haar merkwaardige conclusie juist de geloofwaardigheid van de Nederlandse parlementaire democratie ondermijnt. Want in welk Westers land is het denkbaar dat de hardnekkige en fantastische visioenen van een "mislukte zakenman' zonder verdere politieke betekenis leiden tot een parlementaire behandeling die bijna vier jaar duurt, inclusief langdurige debatten in de Kamer en interpellaties, het bijna opstappen van de minister van justitie en het instellen van een bijzondere Kamer-commissie die de schijn-affaire moest onderzoeken? Met aan het einde van het traject de verbazingwekkende constatering dat al het voorafgaande eigenlijk overbodig is geweest.

Dit alles zou Kamerleden tot bezinning moeten doen komen. Er is alle reden voor een parlementaire enquête over de lichtvaardige politieke behandeling van deze zogenaamde schijn-affaire. Alleen een onderzoek van het parlement naar het eigen functioneren kan voorkomen dat morgen of overmorgen een nieuwe Michel Bosio opstaat. Een kruising tussen Raspoetin en Frankenstein of om met PvdA-Commissielid Van Heemst te spreken, “het type dat eens in de vijftig jaar wordt geboren”, maar “grenzeloos creatief” naar de mening van Groen-linkser Rosenmöller en als “zeer inventieve David” omschreven door minister van Economische Zaken Andriessen.

Op de dag van de parlementaire ontknoping van de Bosio-zaak stel ik alsnog de vraag: wie gelooft er in dit land in deze fabelachtige theorie? De machtige en goedgebekte querulant tegen het zielige en in paniek geraakte departement. De werkelijkheid is dat het werk van de Bijzondere Commissie-Bosio, die de zaak zeven en een halve maand lang heeft onderzocht, karig en misleidend is.

Om geen antwoord te hoeven geven op de vele vragen die de Bosio-zaak kenmerken, schermt de commissie-Tommel met haar beperkte taakopdracht: “nader onderzoek te bereiden naar de gang van zaken met betrekking tot de subsidiëring door Economische Zaken en de mogelijke relatie met betrekking tot de drugscontainer”. Maar zelfs daarmee valt de commissie door de mand door te concluderen dat er geen relatie bestaat tussen beide elementen.

Voor alle duidelijkheid: op 28 oktober 1985 wordt een aan Michel Bosio geadresseerde drugscontainer in Antwerpen in beslag genomen. De ex-ondernemer die al twee jaar eerder door Economische Zaken is ontslagen, waarschuwt op 4 november 1985 de Arnhemse politie en zal vervolgens jarenlang alle mogelijke justitiële instanties, de minister-president en de minister van justitie op het voorval attenderen. Volgens hem bestaat er een relatie tussen de drugsvondst en het bedrijfje van Economische Zaken. Zijn roep om een onderzoek wordt genegeerd en het bestaan van de drugscontainer zelfs door ministers ontkend. In februari 1991 geeft minister Hirsch Ballin het bestaan van de drugsvondst eindelijk toe. Daarbij begaat hij een kardinale fout: er is wel een onderzoek geweest, zegt Hirsch Ballin, want de tip van Michel Bosio bij de CRI en de Arnhemse politie heeft geleid tot de inbeslagneming van de container in Antwerpen.

Een kind kan uitrekenen dat tussen 28 oktober (vondst) en 4 november (tip) een week ligt en dat de minister van Justitie de waarheid niet spreekt. Het parlement is voorgelogen. De minister is woedend (op zichzelf of op zijn politieambtenaren?) en dreigt intern met opstappen als de PvdA hem in de Kamer te hard aanpakt. Teneinde het politieke hoofd van de minister van justitie te redden wordt een nieuwe, uiterst complexe theorie bedacht, waarbij opvalt dat verschillende politiediensten zeggen elkaar in onwetendheid te hebben gelaten in een drugszaak waarover zij gezamenlijk op 12 november 1985 hebben vergaderd.

De nieuwe structuur van dit web van leugens is dat politieambtenaren hun minister verkeerd hebben genformeerd omdat zij de datum van de drugsvondst niet kenden. De Nederlandse politie beschikt blijkbaar niet over telefoon en briefpapier om aan informatie te komen. De datum van de drugsvondst stond overigens in bijna alle kranten en zelfs in artikelen in buitenlandse dagbladen die speciaal voor de betrokken politieambtenaren zijn vertaald (zie proces-verbaal 3300-25/92-vk1-113, pagina 16 van de commissie-Tommel). Niemand zou daar intrappen, behalve de zes leden van de Bijzondere Commissie-Bosio, die blijkbaar niet van plan zijn het Hirsch Ballin en zijn incompetente politie nog moeilijker te maken.

Niet bekend

DEA-medewerker Parisius werkte in 1983 als vertegenwoordiger van het EZ-aircobedrijfje van Bosio onder het toeziend oog van de regeringswaarnemer van Economische Zaken. De DEA-agent Parisius maakte in dat jaar voor het EZ-bedrijfje drie reizen naar Afrikaanse landen, die werden betaald met subsidiegeld van Economische Zaken. Opmerkelijk is verder dat het de DEA-informant van de Nederlandse politie zelf was, die het initiatief nam om de drugscontainer naar Nederland (wat later Antwerpen werd) te laten komen. In het rapport staat ook: “overigens is Parisius kort daarna door de Rijkspolitie niet verder als informant gebruikt, omdat hij niet altijd betrouwbaar bleek te zijn: zo gebruikte hij de politie door als informant te fungeren bij drugstransporten die hij zelf had opgezet”.

Dit is schrikbarend, want het betekent dat de Amerikaanse DEA drugs in Nederland importeert, naar alle waarschijnlijkheid ook via bedrijven die door Economische Zaken worden gesubsidieerd, en daarbij de Nederlandse politie misbruikt en misleidt. Het verzwijgen van deze informatie door de commissie-Tommel in haar rapport aan de Tweede Kamer is een aanfluiting, evenals de onjuiste conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat er een relatie bestaat tussen het gesubsidieerde bedrijf en de drugsvondst. De commissie volstaat ermee de regering te verzoeken haar nader te informeren “over de positie van informanten, de reikwijdte van hun bescherming en de gevolgen van mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten”. Maar de commissie gaat voorbij aan nog meer essentiële elementen in haar dossier.

Zo wordt met geen woord gerept over de rol van de regeringswaarnemer die Bosio namens EZ moest begeleiden. Er zit in het commissiedossier een 33 pagina's tellend rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst over de EZ-regeringswaarnemer. Saillant detail: op 30 oktober 1991 zei minister Andriessen van economische zaken in de Kamer niets te weten van een FIOD-onderzoek naar zijn waarnemer. In het rapport doet de FIOD een boekje open over de frauduleuze instelling van de regeringswaarnemer: mogelijk gebruik van een Zwitserse bankrekening, uitkeringsfraude, zwartwerken en fiscale fraude. Omdat het onderzoek door de plotselinge dood van de EZ-waarnemer voortijdig moest worden afgesloten, adviseert de FIOD aan de erven van de regeringswaarnemer een navordering op te leggen plus een boete van 100 procent over het geld dat in het EZ-bedrijfje van Bosio zwart werd verdiend.

Even interessant is de getuigenis van een zakenman, de heer A.B. Cobussen, over de regeringswaarnemer in het proces-verbaal VKL-117, pagina 4, waarover de commissie-Tommel beschikt. Op 3 februari 1983 - het EZ-bedrijfje verkeerde toen nog in zijn oprichtingsfase en de EZ-begeleider had juist de dag ervoor een zeer positief rapport naar het Ministerie gestuurd - bood de regeringswaarnemer het EZ-bedrijf inclusief de verstrekte subsidie voor 25.000 gulden aan de zakenman aan. Aan de Rijksrecherche vertelde Cobussen: “Het voorstel van de regeringswaarnemer Belderbos was verder om de heer Bosio vervolgens als ongewenste vreemdeling over de grens te laten zetten”. Over complottheorieën gesproken....

Niets van dit alles is terug te vinden in het magere rapport van de commissie-Tommel. Gezien de middelen en de tijd waarover deze commissie heeft kunnen beschikken en gezien haar bevindingen die niet meer dan negen A-viertjes beslaan, kan men gerust zeggen dat de berg een muis heeft gebaard. En zo gaat het vaker in de voorbeeldige Nederlandse parlementaire democratie wanneer gevoelige zaken in het geding zijn: veel werk, veel papier, veel woorden maar weinig moed en geen tastbare resultaten.

    • Sylvain Ephimenco
    • in Nederland van het Franse Dagblad Libération