Quené ziet parallel tussen SER-advies en "Akkoord van Wassenaar' van 1982; "EMU vereist ander overlegmodel'

DEN HAAG, 20 OKT. “Het advies van afgelopen vrijdag is een advies over het sociaal economisch beleid in de jaren negentig. Niet voor volgend jaar. Met een eventueel Centraal Akoord 1993 mag het niet zijn geconsumeerd.”

Heeft een centraal akkoord voor 1993 een goede kans van slagen? Op zijn werkkamer in het bastion van de Nederlandse overlegeconomie tempert de SER-voorzitter ir.T. Quené de dreigende euforie. “Ik kan het alleen maar voorwaardelijk formuleren. Als wij er afgelopen vrijdag niet uit zouden zijn gekomen dan zouden centrale afspraken voor volgend jaar in ieder geval niet mogelijk zijn. Het is een noodzakelijke voorwaarde. Maar ik kan niet zeggen of het een voldoende voorwaarde is.”

Werkgevers en werknemers hebben eind vorig week “unaniem” een advies opgesteld over het te voeren sociaal economsich beleid in de jaren negentig. Sindsdien zijn "De kern van de economie', "Economie in theorie en praktijk' en alle die andere studieboeken over de Nederlandse economie gedateerd. Op weg naar de Economische Monetaire Unie (EMU) gaan de "klassieke vijf' doelstellingen van economische politiek (1951) op de helling. “Een evenwichtige duurzame economische groei, een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie, en een redelijke inkomensverdeling zijn de aangescherpte doelstelling van het macro-economisch beleid”, zegt Quené. “De andere twee doelstellingen (stabiel prijsniveau en evenwichtige betalingsbalans) worden door Maastricht naar een Europees niveau getild.”

Het belangrijkste adviesorgaan van de regering stuurt pas op 20 november het rapport officieel naar het kabinet. Maar officieus is het kabinet al exact op de hoogte, want er is haast geboden. Nu het internationaal economisch tij tegen zit, wil het kabinet met werkgevers en werknemers afspraken maken om de loonstijging te matigen en extra banen te creëren.

Met het advies wordt volgens Quené de lijn van 1982 doorgetrokken. Het "Akkoord van Wassenaar' heeft een structurele invloed gehad op de Nederlandse arbeidsverhoudingen. De loonmatiging heeft in de jaren tachtig een spectaculaire bijdrage geleverd aan de groei van de werkgelegenheid. “Die lijn willen we doorzetten”, zegt Quené.

Werkgevers en werknemers zijn bereid de lonen te matigen om zo de arbeidsparticipatie te verhogen. De bijdrage van de overheid zou moeten bestaan uit het verlichten van belasting- en premiedruk. Quené: “Met het wegvallen van de grenzen in Europa neemt de concurrentie toe. Je kunt niet teveel uit de Europese pas lopen en daarom hebben we de Nederlandse excentriciteiten geïnventariseerd. Daarbij zijn we op twee punten gestuit: de extreem lage participatiegraad en de hoge collectieve lastendruk.

“Deze twee worden in dit rapport met elkaar verbonden want het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Werken er weinig mensen dat ontvangt de schatkist weinig belasting. En waar veel uitkeringen worden verstrekt, moet je veel premie betalen. Kortom: De weg om de lastendruk te verlagen is het verhogen van de arbeidsparticipatie.”

Om meer mensen aan de slag te krijgen pleiten werkgevers en werknemers voor: loonkostenmatiging, verkleining van het verschil tussen bruto loonkosten en netto besteedbaar inkomen (de zogenoemde wig), een vergroting van het verschil tussen salaris en uitkering. Het accent zou moeten liggen op de vergroting van de werkgelegenheid voor langdurig uitkeringsgerechtigde werklozen.

Werkgevers en werknemers vinden dat het kabinet de lastendruk (belastingen en premies) verder moet verlagen. Minister De Vries (sociale zaken) heeft afgelopen weekend al duidelijk gemaakt dat voor 1993 een extra lastenverlichting uitgesloten is.

Quené: “Ons advies heeft betrekking op de rest van de jaren negentig en concentreert zich dus niet op volgend jaar. Lastenverlichting moet als katalysator gaan fungeren. Wij doen geen uitspraak over hoe de overheid dit zou moeten financieren, want dat is een politieke vraag. Wij hebben het vraagstuk vanuit een economische invalshoek geanalyseerd.”

De SER stelt een andere koppeling voor tussen lonen en uitkeringen dan de regeling in de huidige koppelingswet WKA, die de bruto lonen koppelt aan de bruto uitkeringen. Dus minister De Vries (sociale zaken) moet een nieuwe koppelingswet maken?

“Zolang de afwijkingsmogelijkheid van de koppelingswet WKA van toepassing is, een fors beroep op de sociale zekerheid dan wel een sterke loonstijging, hoeft dat niet. Maar als De Vries op basis van de wet moet koppelen dan is een nieuwe wet nodig.

“Wij stellen voor om de bruto-bruto koppeling te vervangen door een dynamische koppeling, een effectieve combinatie van bruto koppeling en lastenverlichting. Uitkeringsgerechtigden zien hun inkomen wel stijgen met de welvaart, maar niet in die mate dat de financiële prikkel ontbreekt. Het arbeidskostenforfait (het bedrag dat mensen met een betaalde baan van hun belasting mogen aftrekken) willen we verder verhogen.”

Heeft de Nederlandse overlegeconomie nog toekomst?

“De overlegeconomie hebben we gedefinieerd als het institutioneel arrangement waarin werkgevers, werknemers en overheid gezamenlijk mede richting geven aan het economisch proces. Velen denken dat de overlegeconomie iets typisch Nederlands is. Dat is niet zo. Op EG-niveau bestaat al het Sociaal Europees Comité; een soort SER. Trouwens negen van de twaalf lidstaten kennen al een of andere vorm van SER.

“Het grote goed van de Nederlandse overlegeconomie hebben we uitgewerkt naar drie terreinen: de arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid, en arbeidsmarkt. Op elk van die drie terreinen moet duidelijk zijn wie waarvoor verantwoordelijk is. Dat is nu som fluïde omdat de opvatting wat tot het publieke domein behoort en wat tot het private, in de loop der tijd verschuift.

“Centraal overleg over de arbeidsvoorwaarden blijft zinvol, maar hoeft niet altijd te resulteren in een centraal akkoord. Immers, in bedrijven en bedrijfstakken worden de concrete afspraken gemaakt, maar het is wenselijk dat de CAO-onderhandelaars wel een centraal referentiekader op zak hebben.

“Op het terrein van de sociale zekerheid gaan we onderzoeken of op termijn een integratie van de uitvoering van arbeidsmarktbeleid en sociale zekerheid gewenst is. Daaarnaast moet het toezicht volledig onafhankelijk worden; los van werkgevers, werknemers en overheid.”

Loopt u daarmee niet vooruit op de parlementaire enquêtecommissie die een onderzoek gaat instellen naar de uitvoering van de sociale zekerheid?

“Het kan heel goed zijn dat de commissie tot soortgelijke bevindingen komt. Dat sluit ik niet uit.”

Een dag voordat de SER de laatste hand legde aan het advies zei PvdA-fractievoorzitter Wöltgens tijdens de algemene politieke beschouwing dat de overlegeconomie “de laatste kans” heeft om te bewijzen dat dit fenomeen nog iets voorstelt. Een schot voor open goal, een kenmerk van de overlegeconomie is immers dat men volledig op de hoogte is van elkaars agenda.

Quené gniffelend: “Er is inderdaad ook een verband tussen het opkomen van de zon en het kraaien van de haan.”

    • Cees Banning