Honger is vooral economisch probleem

Chronische ondervoeding hangt niet samen met het mislukken van de oogst door droogte, maar heeft fundamentele, chronische oorzaken. Het probleem van ondervoeding valt volledig samen met het probleem van de armoede. Rijke mensen hebben immers nooit last van honger, zelfs niet als de oogsten volledig mislukken. Daarentegen worden arme mensen constant geconfronteerd met dreigende honger.

Ten tijde van de hongersnood in Ethiopië enige jaren geleden lagen sperzieboontjes uit Ethiopië in de Nederlandse winkels te koop. Een schandalige zaak, zou je zeggen. Wat hier gebeurt, gehoorzaamt echter volledig aan de economische wetten. Goederen verplaatsen zich nu eenmaal van plaatsen met relatief veel aanbod en weinig vraag naar plaatsen met minder aanbod en meer vraag. En iemand met een lege buik en lege buidel kan nu eenmaal geen economische vraag creëren. Chronische honger en ondervoeding is dan ook geen technisch maar een economisch probleem. Het sturen van voedsel kan soms gewenst zijn in noodsituaties, maar het is geen remedie tegen chronische honger en ondervoeding.

Toch is het voor velen moeilijk zich deze economische kant van het hongerprobleem voor te stellen. In Europa wordt de landbouw geconfronteerd met een verplichting grond braak te leggen wegens overproduktie. Velen in de landbouw (en daarbuiten) vinden het zonde vruchtbaar land braak te leggen terwijl er zoveel honger in de wereld is. Laat ons op de nu braakgelegde gronden doorproduceren - wij hoeven voor dat deel niet eens een hoge prijs als we maar net onze onkosten vergoed krijgen - en wij zullen de hongerigen der aarde voeden, zeggen zij.

Een nobele instelling, maar men gaat hierbij uit van een technische visie op het hongerprobleem. Naar mijn oordeel is de overproduktie één van de fundamentele oorzaken van armoede en ondervoeding. Dumping van overschotten op de wereldmarkt ontneemt boeren in de Derde Wereld de kans geld met hun produkten te verdienen. Produktiebeperking via braaklegging is geen elegant middel. Het verbetert echter eerder de voedselsituatie in de Derde wereld dan dat die erdoor zou verslechteren, hoe paradoxaal dit ook moge klinken.

Het is interessant hoe het denken over de ontwikkelingsproblematiek zich de afgelopen decennia heeft ontwikkeld. Tekenend voor deze ontwikkeling is de gevleugelde uitspraak uit de jaren zestig: “Geef een mens een vis en hij heeft een dag te eten, geef hem een hengel en hij heeft altijd te eten”.

Het gevolg van deze gedachtengang was de "Groene Revolutie'. We sleepten nieuwe rassen plus de erbij benodigde kunstmest en bestrijdingsmiddelen naar de Derde wereld en we zouden de honger wel even oplossen. Dat is helaas niet gelukt. Want ook hier ging men uit van een technische benadering. Waar de economische macht ligt, is het cruciale punt. Om in dezelfde beeldspraak te blijven: je kunt wel iemand een hengel geven, maar dat zal hem weinig baten als de zeeën door grote Westerse visserijvloten worden leeggevist. En je kunt een boer uit de Derde wereld wel gratis voorzien van zaaizaad van de allernieuwste rassen, maar alweer is dat hem van weinig nut, indien de prijzen door de overproduktie in het Westen dusdanig laag zijn dat hij de erbij benodigde kunstmest en bestrijdingsmiddelen niet kan betalen.

Oppervlakkig gezien is het vreemd dat er zoveel honger en ondervoeding heerst in de Derde wereld. In de meeste betrokken landen is zeventig tot à tachtig procent van de mensen werkzaam in de landbouw. In Nederland is dit slechts ongeveer twee procent. En toch is Nederland één van de grootste voedselexporteurs ter wereld.

Een ander op het eerste gezicht vreemd verschijnsel is dat velen van het platteland wegtrekken naar de steden. Bij gebrek aan voedsel zou je juist een trek in omgekeerde richting verwachten. Weten degenen die het platteland verlaten niet dat de steden al uitpuilen van de werkzoekenden? Volgens mij zijn zij zich hier zeer goed van bewust, maar gaan zij toch, vooral de landlozen. Zij worden daarbij gedreven door de armoede en de uitzichtloosheid. In de stad is het ook niet alles maar er zijn er altijd die wel goed terecht komen en wie weet...

Af en toe zijn er berichten dat de wereldvoedselvoorraad op een gevaarlijk laag niveau is beland van ongeveer twee tot drie maanden voorraad. Onder andere de producenten van spuitmiddelen grijpen dit gegeven aan om te benadrukken dat het opvoeren van het gebruik aan kunstmest en spuitmiddelen een hoge urgentie heeft. Ik beschouw de lage wereldvoedselvoorraad echter als bewijs van de werkzaamheid van het marktmechanisme. Als de prijzen maar laag genoeg zijn, stopt de overproduktie vanzelf.

In Europa en andere Westerse landen heeft zich een ander verschijnsel voorgedaan. Door barrières aan de buitengrenzen ontstond een beschermde, interne markt. Het marktmechanisme zorgde hier voor een redelijk acceptabele inkomensontwikkeling voor de boeren. Tot het midden van de jaren zeventig werkte dit systeem goed, maar daarna kwam het onder druk te staan door de overproduktie. De Derde wereld had een grotere uitvoer dan invoer van landbouwprodukten tot aan 1975. Daarna sloeg de balans om. Dat jaartal is bepaald niet toevallig. Het valt precies samen met het moment waarop het Westen de volledige zelfvoorziening bereikte. De produktie in het Westen heeft zich geheel autonoom kunnen ontwikkelen. Zij werd niet bepaald door de afzetmogelijkheden, maar door de technische mogelijkheden.

Wat overbleef aan produktie was voor de Derde wereld. Hier waren niet de technische mogelijkheden bepalend, maar het marktmechanisme dat feilloos de produktie reguleerde. Dit maakt ook duidelijk dat verbetering van bijvoorbeeld landbouwmethoden niet het gewenste effect heeft. Immers, hoe groter de produktiecapaciteit, des te lager de prijzen en des te groter de armoede. Door sommigen wordt gepleit om dan maar over te gaan tot totale liberalisatie van de landbouw over de hele wereld. In de huidige situatie van een te grote produktiecapaciteit leidt dit tot een rampzalige toestand voor de landbouw in het Westen en slechts tot een kleine verbetering voor de landbouw in de Derde wereld. En van deze kleine verbetering lijkt me weinig terecht te komen, als het Westen op grote schaal overgaat op inkomenssteun.

    • Lid van de Aktiegroep Basta
    • Huib Rijk