Etnische beledigingen wel racistisch

In een lezing, gepubliceerd in NRC Handelsblad van 6 oktober stelt staatssecretaris van justitie Kosto dat dat door de komst van vreemdelingen het culturele karakter van de oude wijken radicaal is veranderd en de sociale contacten van de autochtone bevolking zijn afgebrokkeld. Vaak is deze autochtoon ook een verliezer die er niet in is geslaagd maatschappelijk hogerop te komen. Als hij aan die onbehagelijke situatie uiting geeft “door zich negatief uit te laten over zijn buurtgenoten, door scheldend te verwijzen naar hun huidskleur, hun Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse herkomst, dan is het fout zo iemand direct een racist te noemen”, aldus Kosto.

Kosto gaat met deze zienswijze voorbij aan de betekenis en functie van racistisch gedrag. Wanneer een vooraanstaand politicus dergelijk gedrag bagatelliseert en bestempelt als een onschuldige uiting van onbehagen moet hij zich realiseren dat hij de weg vrijmaakt voor toename van spanningen in de samenleving.

Kosto gaat met zijn uitspraak voorbij aan de brede betekenis van racisme. Wanneer de term wordt gebruikt in zijn meest enge betekenis, namelijk de benadrukking van biologisch-raciale verschillen om een onrecht te rechtvaardigen, is het geen wonder dat men weinig "pure racisten' kan aanwijzen. De praktijk van alle dag laat ook zien dat het zeer moeilijk is om een sluitend bewijs te leveren voor racistisch gedrag. Raciale verschillen zijn echter in dit verband in toenemende mate aangevuld met culturele en etnische. Sommige deskundigen beschouwen het benadrukken van deze eigenschappen ook als basis voor racisme en spreken liever van etnofobie of xenofobie (vreemdelingenhaat). In deze betekenis gaat het om het mechanisme dat aan het gemaakte onderscheid ten grondslag ligt. Dit mechanisme bestaat uit een samenhangend systeem van ideeen, dat stoelt op bestaande vooroordelen jegens een bepaalde groep.

Men kan tot op zekere hoogte begrip opbrengen voor het door Kosto genoemde onbehagen van de autochtone Nederlander die zich sociaal-economisch in een benarde situatie bevindt. Allochtonen worden echter ten onrechte als doel gebruikt om dit onbehagen te uiten. Zij worden op deze wijze immers automatisch aansprakelijk gesteld voor de achterstandsituatie van de autochtone Nederlander. verkeert. De oorzaak van die benarde situatie dient echter hoofdzakelijk te worden gezocht in het beleid met betrekking tot de sociaal-economisch zwakkeren in de samenleving, zowel autochtone als allochtone. Laatstgenoemden fungeren hier dus alleen als zondebok.

Het gekozen instrument, in de vorm van etnische of raciale beledigingen, als uitlaatklep voor het onbehagen duidt ook op een racistische houding. Met dit instrument wordt een denkbeeldig of reëel verschil benadrukt. Het staat echter vast dat degene die uitscheldt, de afkomst of huidskleur van de ander gebruikt om hem of haar te vernederen, zich daarbij beroepend op bestaande vooroordelen in de samenleving. Wanneer deze vooroordelen niet worden bestreden maar oogluikend worden toegestaan, kunnen ze een permanent karakter krijgen en gebruikt worden ter rechtvaardiging van de achterstandspositie van de groep in kwestie.

Voorts ligt aan het etnisch schelden de benadrukking van een vermeend voorrecht ten grondslag. Ook hieraan gaat Kosto voorbij. Het is niet aannemelijk dat de autochtoon die de raciale of etnische afkomst van een allochtoon denigrerend gebruikt, dit alleen doet om zich beter te voelen. In zijn boodschap ligt impliciet de gedachte besloten dat de allochtoon minder rechten heeft dan hijzelf, of, sterker nog, helemaal geen rechten.

Een dergelijke gedachte mag een staatssecretaris van justitie zeker niet onderschrijven. Door te stellen dat etnische of raciale beledigingen niet automatisch racisme inhouden, verschaft hij de autochtoon de benodigde rechtvaardiging voor de uiting van de opvatting dat hij meer rechten heeft dan de ander.

De racist zal zelden of nooit toegeven racist te zijn. Dit houdt eveneens in dat voorzichtigheid is geboden bij het bestempelen van bepaalde gedragsuitingen als niet racistisch. Voorts zou het onverstandig zijn de aanbeveling van Kosto te accepteren om de term racisme spaarzaam te gebruiken alleen omdat deze te zwaar beladen is. Voorkómen is nog steeds beter dan genezen. De gevolgen van racisme in de geschiedenis zijn maar al te goed bekend en zijn door Kosto zelf genoemd. Niet voor niets zijn etnische en raciale beledigingen volgens artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar.

De uitspraken van Kosto niet bij tot het scheppen van de broodnodige sfeer van wederzijdse aanvaarding en vreedzame co-existentie in de oude stadswijken. Integendeel, zijn stellingname haalt dit gedrag uit de taboesfeer en leidt tot verscherping van de interetnische verhoudingen en tot een erosie in de sociale en politieke moraal in de samenleving.

    • W.A. Shadid