Een krentenbrood als hartekreet

Mevrouw Schoenmakers houdt haar regenjas aan wanneer ze voor de politierechter plaatsneemt. Ze moet het er knap warm in hebben, want het is een zonnige dag in 's-Hertogenbosch. Het is alsof ze één is geworden met die jas, die er even grijs en verpieterd uitziet als zijzelf. Haar kleding lijkt eerder het produkt van zuinigheid dan van armoede - de zuinigheid van iemand die het nooit breed heeft gehad.

Negenenzestig jaar is deze kleine, magere vrouw, die al geruime tijd geregeld op kleine winkeldiefstallen wordt betrapt. Er loopt reeds een vervolging tegen haar voor de diefstal van chocolade en fotolijstjes, maar in de tussentijd heeft ze elders opnieuw toegeslagen. Toegeslagen? Dat is een erg zwaar woord voor iemand die bij de Hema in Eindhoven een krentenbrood heeft gepikt.

“En hoe is het met het dossier over dat snoepgoed bij de Edah?” vraagt de rechter, mevrouw mr. E. Spoor.

“Dat kan wat mij betreft ook worden meegenomen”, zegt de officier van justitie, mr. J. Wasser.

“U heeft de winkeldiefstallen bekend, mevrouw?” vraagt de rechter.

“Als ze me vasthouden, ontken ik niet.”

“U wilde niet betalen?”

“Daar laat ik me niet over uit.”

De advocaat, mr. T. Weller, doet enkele passen opzij in de richting van zijn cliënt en zegt bezwerend: “U kunt beter zeggen hoe het in elkaar zit.”

Mevrouw Schoenmakers omklemt het verweerde damestasje dat voor haar op tafel ligt. Ze schudt krampachtig het hoofd. “Ik ben zo over mijn toeren”, zucht ze. “De spanningen zijn me te veel.”

“Na vandaag is het afgelopen”, troost de rechter, tegen beter weten in.

“Het is te hopen”, zegt mevrouw Schoenmakers met een droge snik.

De rechter vraagt de bode een glaasje water voor mevrouw Schoenmakers te halen. Dan leest ze enkele feiten uit het dossier voor. Mevrouw Schoenmakers heeft als moeder van een groot gezin geen gemakkelijk leven achter de rug. Ze kende perioden van depressiviteit, maar zo lang haar man nog leefde, kon ze zich staande houden. Na zijn dood in 1975 is het met haar bergafwaarts gegaan. Ze werd steeds eenzamer en begon aan een eindeloze serie kleine winkeldiefstallen.

“Dat u dit soort dingen op uw leeftijd nog doet”, zegt de rechter licht vermanend.

“Ik kan het ook niet begrijpen. Ik voel me stapelgek.”

“Ik begrijp dat u nauwelijks nog boodschappen doet?”

“Ik durf het niet meer. Maar geen kind wil me helpen.”

“Hoeveel kinderen heeft u?”

“Zes. Ze hebben geen tijd. Mijn oudste zoon komt soms 's morgens efkes. Maar ik woon wel beschermd, hoor, en bij een park waar ik naar de eendjes kan kijken.”

“Weet u wat u doet als u die diefstallen pleegt?”

“Ik pak zo'n krentenmik, ga ermee de winkel uit en dan bedenk ik me, maar dan is het al te laat, hè? Je kunt dan maar beter niks meer zeggen, want je zit altijd fout.”

“Waarom neemt u geen karretje in de winkel?”

“Dat doe ik soms ook wel.” Ze zucht diep. “Ik weet niet waar ik mee bezig ben. Vraag me geen verklaring.”

“Praat u er met uw kinderen over?”

“Dat durf ik niet. Ik heb zo veel schuldgevoelens, daar loop ik al zeventien jaar mee rond. Ik wil er hun niet mee lastig vallen. Ze komen zelf ook te kort. Ze vragen mij om dingen. Een dochter heeft twee kindjes en een man met epilepsie, ze kan niet uit gaan werken.”

“Kunt u haar niet vragen de boodschappen te regelen?”

“Mijn dochter zegt: je moet je winkelvrees overwinnen.”

“Ze zou iets kunnen regelen met de andere kinderen. Dit kan zo niet doorgaan.”

Mevrouw Schoenmakers begint zachtjes te huilen. “Ik wil het ook niet meer. Ik bel haar nog vanavond op.”

De rechter wil weten hoe het contact met het maatschappelijk werk is. “Ze komen één keer in de drie weken”, snikt mevrouw Schoenmakers. “Die mevrouw van de reclassering begreep me niet goed. Toen ben ik bij het gewone maatschappelijk werk terechtgekomen. Dat zijn vaak oudere dames, die begrijpen je beter.” Maar haar advocaat lijkt er niet van onder de indruk. “Eén van die maatschappelijk werkers heeft het laten afweten”, zegt hij, “er is een nieuwe mevrouw die wel langer wil doorgaan, maar ik stel voor dat mevrouw naar het Leger des Heils gaat.”

De officier van justitie rekent voor dat mevrouw Schoenmakers nu al bijna vijftien jaar winkeldiefstallen pleegt. Hij heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf overwogen, maar hij voegt er onmiddellijk aan toe: “Ik ben bang dat ik die woorden dan eens zal moeten waarmaken. En detentie lijkt me niet de meest geschikte plaats voor mevrouw.” Hij kijkt hulpeloos naar de rechter. “Er moet wèl iets gebeuren, maar ik weet niet wat.” Hij eist ten slotte 750 gulden boete waarvan 650 gulden voorwaardelijk.

De advocaat vindt de geldboete aan de hoge kant voor iemand, die bij haar diefstallen altijd onder de honderd gulden blijft. “Volgens de reclassering zijn die diefstallen één grote roep om aandacht. Ze heeft op die momenten geld genoeg bij zich om af te rekenen. Ze geeft haar kinderen wèl geld. Vooral die twee dochters weten wel iets van haar los te krijgen.”

Zouden die kinderen werkelijk niet weten wat er met hun moeder aan de hand is? Die vraag blijft lang in de lucht hangen, totdat de moeder opeens zegt: “Ze weten er wel iets van. Laatst vroeg mijn dochter: waarom kom je niet meer in de stad, hebben ze je gevat?”

“Uw kinderen vermoeden iets?” vraagt de officier.

“Ja. Een zoon zei rechtuit dat hij iets over mij gehoord had. En ik heb ook een keer tegen een dochter gezegd dat ik een stukske kaas had gepakt.”

“Ik kan u niet forceren”, zucht de rechter, “maar ik raad u dringend aan er met uw kinderen over te praten. U heeft zo veel voor hen gedaan, ze mogen best wat terugdoen. Het is geen schande om hulp te vragen.” Dan, bijna verontschuldigend: “Wat moeten we toch met u? Ik weet het ook niet. Als u gezond en normaal was, zou ik u een gevangenisstraf opleggen. Ik leg u nu een boete van 400 gulden op waarvan 300 gulden voorwaardelijk en met als bijzondere voorwaarde: contact met het maatschappelijk werk. Meer kan ik er ook niet aan doen.”

Voor de glazen schuifpui van het gerechtsgebouw staat mevrouw Schoenmakers even later op haar advocaat te wachten. Zachtjes zingzegt ze voor zich uit: “Dat is dan weer voorbij.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.