Duurder

Hoe zou het toch komen, dat de competitie-thuiswedstrijden van PSV en Ajax altijd in de buurt van uitverkocht zijn, terwijl de liefhebbers voor het Nederlands elftal weliswaar voortdurend schitteren - maar dan vooral door afwezigheid? Nederland-Italië bracht slechts 12.800 mensen ertoe het zo aantrekkelijk ogende, van een uitstekende accommodatie voorziene stadion van PSV met een bezoek te vereren: dat is nauwelijks de helft van het aantal klantjes dat voor de gemiddelde competitiematch van PSV komt opdraven. In Rotterdam, waar het mistroostig regende, waren slechts 14.500 aanwezigen bij Nederland-Polen. De Polen brachten uiteraard nauwelijks aanhangers mee en aan Italianen was in Eindhoven eveneens gebrek, maar waar bleven de Oranje-klanten? Het antwoord is voorspelbaar: zij zaten thuis aan de buis, het drankje en het hapje binnen handbereik en vrienden en familie aanwezig om vreugd of gekanker mee te delen.

Natuurlijk had Jan Huijbregts, de gepokte en gemazelde KNVB-official die alle tekenen van onverslijtbaarheid met zich meedraagt, alle gelijk van de wereld toen hij slecht weer plus een voorafgaande zwakke prestatie tegen de Noren als redenen van halflege tribunes opsomde. Maar verder? “Is that all there is?”, vroeg Doris Day lang geleden. Huijbregts: “De zekerheid dat de wedstrijd zou worden uitgezonden en de hoogte van de toegangsprijzen acht ik van geringere invloed”. Het is behendig onder woorden gebracht. Hij betoogt niet dat die twee factoren geen invloed hebben gehad, ook niet dat die invloed gering was, maar geringer dan een regenbui plus de nederlaag in Oslo.

Indien Oranje een belangrijke, voor de WK-plaatsing meetellende interland speelt, is het normaal als het duel in de buurt van uitverkocht komt - of het dan slecht, matig of goed weer is beïnvloedt de belangstelling nauwelijks. Wie een kaart heeft gekocht, gaat toch wel. En als het Oranje-gevoel fiks om zich heengrijpt, wordt de beeldbuis gaarne verwisseld voor een plek in het stadion. Maar inderdaad ontbrak dat gevoel wegens de recente nederlagen tegen de Italianen en Noren, waarbij onze landgenoten bovendien weinig inspirerend spel hadden laten zien.

Maar bij dit alles dreigt de kwestie van de te hoge toegangsprijzen onderbelicht te blijven. De duurste plaatsen bij de interland tegen Polen bedroegen tachtig gulden. Mede omdat zij vermoedelijk het snelst verkocht waren, zal ik er geen punt van maken. Geld moet rollen en wie veel heeft hoeft zich niet snel te beklagen. Maar de goedkoopste kaartjes kostten veertig gulden en dat is belachelijk hoog voor een volkssport. Weliswaar komt dit mede doordat de FIFA de staanplaatsen wil uitroeien, maar het is zonneklaar dat de inflatie bij de toegangsprijzen om zich heen woedt als een tropische storm.

Ik heb het eens nagekeken en kwam toen bij Nederland-Zwitserland in 1955 de volgende prijzen tegen: eretribune eerste ring zeven gulden vijftig; eretribune tweede ring en Maastribune eerste ring zes gulden; zijvakken eerste ring vier guldenvijftig en zijvakken tweede ring drie gulden. De duurste plaats was dus drie rijksdaalders, de goedkoopste zitplaats drie guldentjes. En de staanplaatsen waren niet duurder dan één guldenvijftig. Een goedkoop doelpunt, dat geef ik toe. In die 37 jaar tussen toen en nu is alles duurder geworden. Maar van zevengulden vijftig naar tachtig gulden is ruim tienmaal duurder en van drie gulden naar veertig gulden is dertien keer duurder.

De vraag blijft of dat redelijke verhogingen zijn, of dat tv-rechten en sponsoropbrengsten zo zeer de zaken bepalen dat de stadionkijker er nauwelijks meer toe doet. Er speelt nog iets mee. Ajax-PSV en PSV-Ajax trekken tienduizenden aanwezigen of er een tv-uitzending van is of niet. Die clubs hebben een veel trouwere aanhang dan het nationale team. En men vertrouwt op aantrekkelijk voetbal en komt slechts bij uitzondering bedrogen uit.

    • Herman Kuiphof