Wat moet Amsterdam met de IJ-oevers?; Volgende generaties zullen stadsbestuur van de jaren negentig zielsdankbaar zijn dat het hun de laatste "reserve-ruimte' rondom Centraal Station bewust heeft nagelaten

Dit najaar beleven de IJ-oevers hun uur U. Na tien jaar nota's, plannen en discussies zal ergens in deze maanden de Amsterdamse gemeenteraad de knoop moeten doorhakken: gaan we bouwen volgens de plannen van architect Rem Koolhaas en de Amsterdamse Waterfront Financieringsmaatschappij (AWF), of niet. De verleiding is groot om die beslissing min of meer terloops te nemen, als onderdeel van het normale besluitvormingsproces waarin de opvattingen van projectontwikkelaars, financiers, bestuurders en burgers langzaam naar elkaar toegroeien. Rem Koolhaas heeft dat proces verstoord, met reden wellicht, maar het heeft wel consekwenties. Het nu voorliggende project is een compleet nieuw plan. Het is een plan dat zo haaks staat op alles wat het Amsterdamse gemeentebestuur in de voorgaande jaren aan de burgers van deze stad heeft voorgespiegeld dat een nieuw publiek debat, een nieuwe afweging en een nieuwe beslissing onvermijdelijk zijn.

Wie de moeite neemt de stapel kranteknipsels van de afgelopen tien jaar te raadplegen ziet hoe onvermijdelijk een dergelijke heroverweging zolangzamerhand is, al was het alleen al om ook alle niet-insiders weer enige duidelijkheid te verschaffen. Want de gang van de gemeente Amsterdam in planprocedure rond de IJ-oevers doet meer denken aan de loop van een dronken matroos dan aan de visie die van de "trekker' van een dergelijk omvangrijk project verwacht mag worden.

In juni 1989 werd het eerste plan, de concept-nota van uitgangspunten gepresenteerd. Daarin werd uitgegaan van het "waterfront'-concept. In de Verenigde Staten had men op die manier verloederde rivieroevers en haventerreinen, die druggebruik en criminaliteit aantrokken, weer kunnen revitaliseren. Met vernieuwende architectuur, zo was het idee, kon zo'n deel van de binnenstad ook sociaal weer worden "schoongeveegd'. Jarenlang beheerste deze "waterfront'-gedachte het publieke debat over de IJ-oevers. Het moest een openbare ruimte worden, een menging van wonen, werken en cultuur voor iedereen, geïntegreerd met de rest van de binnenstad. Het nieuwe college van B. en W. dat twee jaar geleden optrad bevestigde die uitgangspunten nog eens.

Enkel maanden geleden werd het masterplan van Rem Koolhaas gepresenteerd. De basisfilosofie, het "waterfront'-concept, was geruisloos van de agenda afgevoerd en aan de westkant vervangen door een afgesloten woongebied voor de betere stand, achter het Centraal Station een soort tunnel - in de praktijk, zo valt te vrezen, vol lawaai en troep - met daarboven een zogenaamde boardwalk en aan de oostkant een geïsoleerd kantooreiland waar je je 's avonds ook beter niet kunt vertonen. Inplaats van integratie is het plan gebaseerd op segregatie.

Hoewel het programakkoord van B. en W. ten aanzien van de IJ-oevers eiste dat het bouwvolume ondergeschikt zou zijn aan de stedebouwkundige kwaliteit is in het plan dat nu ter tafel ligt het kantoorvolume bijna verdubbeld, van de veelbesproken menging van wonen, werken en cultuur is vrijwel niets meer over en de toegezegde dertig procent sociale woningbouw zal vermoedelijk nooit uitgevoerd worden omdat de subsidiepotten leeg zijn.

Het belangrijkste argument in al die jaren van discussie was echter vooral de toekomst van de binnenstad - het werd door wethouder Saris vorig jaar in zijn nieuwjaarstoespraak nog eens breed uitgemeten. Een toplocatie van kantoren, betere woningen en goede culturele voorzieningen moesten de oude Amsterdamse kern nieuw leven inblazen, nu de meeste bedrijvigheid naar de buitenwijken trok. De IJ-oevers moesten bovendien fungeren als een nieuwe doorbraak van de oude binnenstad naar het IJ. Het uitgangspunt van het plan dat nu ter beslissing ligt staat daar diametraal tegenover: de IJ-oevers staan compleet los van de binnenstad en vormen een eigen stuk stad. De gemeente zelf speelde overigens al die jaren ook dubbel spel. Ze stond toe - en stimuleerde dat soms zelfs - dat de werkelijke toplocatie ondertussen precies aan de andere kant van de stad ontstond, bij Amsterdam Zuid/WTC.

Nu is het bij zo'n omvangrijk en gecompliceerd project logisch en zelfs heel gezond dat verwachtingen worden bijgesteld en visies veranderen. De pretenties van vroegere plannen waren niet altijd evenwichtig. Er bestonden vooral grote twijfels over de mate waarin de IJ-oevers de binnenstad nieuwe impulsen zou kunnen geven. Toch vormde dit gedachtengoed voor de gemeente hét motief om aan het hele plan te beginnen. Rem Koolhaas mag, als architect van de AWF, al die uitgangspunten met een breed gebaar terzijde schuiven. Maar als het gemeentebestuur van Amsterdam na jaren van voorlichtingscampagnes, debatten en inspraakrondes opeens een totaal andere weg inslaat heeft het zijn burgers wel iets uit te leggen.

Wat moet er nu gebeuren?

Aan de ene kant is er het momentum. Zelfs een dronken matroos zal eindelijk toch eens op huis aan moeten. Amsterdam heeft op dit punt een zekere traditie hoog te houden: het is bijna altijd stilstaan of hollen in de hoofdstad. Over de IJ-tunnel is eindeloos gebakkeleid en toen moest opeens alles. En ook aan de bouw van het nieuwe stadhuis zijn decennia van plannenmakerij vooraf gegaan, totdat opeens op een achternamiddag via een paar telefoontjes de knoop werd doorgehakt. In een soort euforie wordt vervolgens over alle bezwaren heengestapt, God zegene de greep, en de rekening is voor de volgende generatie. De IJ-oevers zitten op dit moment in eenzelfde achternamiddag-fase. Het is nu of nooit.

Dan is er de werkgelegenheid. Zowel ten aanzien van de bouw zelf als de latere exploitatie gaat dit argument echter maar ten dele op. Al sinds jaar en dag worden de steigers en bouwplaatsen in de hoofdstad in meerderheid bemand door Brabantse, Friese en andersoortige pendelaars. En als de kantoren er eenmaal staan is het uitgesloten dat veel van de laaggeschoolde werklozen uit de omliggende stadsdelen ooit in deze high-tech kantoorlokaties emplooi zullen vinden. Amsterdam Zuidoost leert dat het snelst groeiende kantoorpark en de grootste concentratie van werkloosheid in het tegenwoordige Amsterdam in gespannen vrede rustig op driehonderd meter afstand van elkaar kunnen voortbestaan.

Maar de belangrijkste reden voor de stad Amsterdam om het project toch aan de vatten ligt, merkwaardig genoeg, niet in het plan zelf. Het is, net als ooit de Olympische Spelen, een unieke kans om, met forse subsidies van het rijk, in één klap een aantal grote infrastructurele werken uit de voeren: de noord-zuidlijn van de metro bijvoorbeeld, en een nieuwe oost-west sneltram en autoverbinding. De IJ-oevers fungeren in die opvatting als alibi voor een aantal andere aktiviteiten, die volgens velen zeker zo nuttig zijn.

Aan de andere kant is er de vraag of al deze kantoren op dit moment en op deze plaats wel zo noodzakelijk zijn. De financiële risico's voor de gemeente zijn groot. Nu de conjunctuur terugloopt bestaat de kans dat de beleggers, zodra de gemeenteraad groen licht gegeven heeft, eerst de winstgevende krenten uit de pap zullen halen - zoals het luxe woongebied bij het Westerdok - en vervolgens de rest op de lange baan zullen schuiven. Daar wordt het project niet evenwichtiger van, en zeker niet fraaier. Het gemak waarmee dit voorjaar door de AWF afspraken over bouwhoogtes, kantoorvolumes, bebouwingsdichtheid en andere uitgangspunten van tafel werden geveegd, maakt het vertrouwen niet groter. In april 1991 waarschuwde supervisor ir. Tj. Dijkstra dat de gemeente onvoldoende deskundigheid in huis had om het op te nemen tegen de beleggers en financiers bij de onderhandelingen over de IJ-oevers. De gemeente moest zo snel mogelijk een stedebouwkundige van hoog niveau en een aantal bekwame ontwerpers in dienst nemen om te voorkomen dat de stad haar greep op het project zou verliezen. Deze zomer moest wethouder Saris erkennen geen directeur van het project te hebben kunnen vinden die bereid was in de IJ-oeversituatie te treden. De vacature is nog steeds onvervuld.

In de eerste eeuw van onze jaartelling wist de briljante keizer Hadrianus de toekomst van het Romeinse rijk voor eeuwen veilig te stellen door op te houden met de veroveringsoorlogen, de expansie te stoppen en alle energie te steken in de bestuurlijke en economische uitbouw van wat men had. Het sleutelbegrip van zijn beleid was consolidatie - wat iets heel anders is dan stagnatie.

Dat geldt ook voor de IJ-oevers. Bouwers willen bouwen, architecten willen ontwerpen, bestuurders willen geschiedenis maken, maar misschien heeft dit gebied wel iets heel anders nodig.

Een stad - of een gedeelte daarvan - moet, zeker in deze ongewisse tijden, niet ontwikkeld worden met de blik op utopia. Ook in de stedebouw moeten de potenties van de bestaande samenleving de basis zijn van het te voeren beleid. "Begin met de achterbuurten, houdt contact met het bestaande,' zo luidde het credo van een van de eerste planologen, de Schot Patrick Geddes.

Het plan voor de IJ-oevers is bedacht in het midden van de jaren tachtig, in een periode van grote welvaart en stabiliteit. Toen al was het een uiterst ambitieus en volgens velen riskant plan. Maar nu er op het gebied van werkgelegenheid, minderheden en gettovorming ernstige problemen op de stad af komen rollen is het helemaal de vraag of het wel zo verstandig is om zoveel aandacht en middelen te richten op de bouw van een omvangrijk glamourproject waar, gezien alle leegstaande kantoorruimte, op dit moment niemand op zit te wachten. Is het niet nuttiger de realiteit onder ogen te zien en de ongestructureerde kantoorparken in Zuidoost en Zuid/WTC eindelijk eens om te vormen tot een volwaardig stuk stad? En is het in deze tijd niet logischer zoveel mogelijk bestuurlijke energie vrij te houden voor buurten waar de meeste doorsnee-Amsterdammers moeten leven: de Baarsjes, Slotervaart, Bos en Lommer, de Bijlmer?

Ik heb alle begrip voor de dilemma's van de gemeenteraad en de grote belangen die een rol spelen. Maar verantwoorde stedebouw betekent ook ervoor zorgen dat een stad potenties behoudt, inplaats van ze verbruikt. En in sommige situaties kan dat passiviteit vereisen. De stad Amsterdam kampt nu al met een chronisch tekort aan zogenaamde reserve-ruimte. Volgens de filosofie van de "compacte stad' wordt nu al meer dan vijftien jaar ieder oud gebouw opgeknapt, ieder sloopterrein benut, ieder overbodig voetbalveldje bebouwd. Dat heeft het stedelijk leven een belangrijke impuls gegeven, maar de "rek' die in elke stad hoort te zitten voor onverwachte, toekomstige ontwikkelingen is er daarmee zolangzamerhand uit. Behalve bij het IJ. De IJ-oevers, zoals ze er nu bijliggen, zijn niet alleen een probleem, ze vormen ook een bron van mogelijkheden voor de toekomst, die wij op dit moment nog absoluut niet kunnen overzien. Het zou heel goed kunnen gebeuren dat de vervoerssystemen zich over enkele decennia heel anders ontwikkelen en dat de volgende generaties Amsterdam zielsdankbaar zullen zijn dat het hun bij het Centraal Station bewust de nodige reserveruimte heeft nagelaten. Ruimte die ze dan hard nodig hebben, harder dan Amsterdam nu.

Inplaats van ook de laatste grote vrije ruimte bij de binnenstad op een achternamiddag weg te geven is er dus veel voor te zeggen om die voor toekomende generaties te bewaren. Dat wil niet zeggen dat er niets mee kan worden gedaan. Integendeel. Maar het moet voorzichtig gebeuren, en fase voor fase, in overeenstemming met de veranderingen van de stad. De tijd van de grootse jongensdromen is voorbij, ook in Amsterdam.

Voor veel politici, bouwers en bestuurders, gewend als ze zijn aan een cultuur van handelen, groei en vooruitgang, is het moeilijk om te denken in termen van bescheidenheid, onthouding en consolidatie.

"Terugkijken past niet in het beeld van de moderne bestuurder,' schreef de publicist Paul Kuypers dit voorjaar in een discussiestuk voor De Balie. "Afbreken doet hij alleen om er iets nieuws voor in de plaats te zetten. Teruggaan staat voor hem gelijk met het erkennen van een nederlaag.' Kuypers sprak in dat verband van een nieuwe, negatieve utopie waaraan de politiek meer en meer zal moeten leren wennen, "de utopie van de nuloptie'.

Politici worden in deze jaren zo met grenzen geconfronteerd die ze altijd angstvallig hebben weten te vermijden. Ze moeten, in de termen van het bekende essay van Hans Magnus Enzensberger, de terugtocht aanvaarden. Dat geldt ook voor de Amsterdamse gemeenteraad. Het dilemma waarvoor de raadsleden in deze maanden staan is groot en reëel. Er zijn gewichtige argumenten om voort te gaan met de huidige IJ-oeverplannen. Maar er zijn zeker zo zware redenen om het project niet, of gefaseerd en op een veel bescheidener schaal voort te zetten.

Een goed stadsbestuurder is vooral een goed beheerder, die weet op welk ogenblik hij bepaalde dingen moet doen, of niet moet doen. Als de Amsterdamse raadsleden uiteindelijk toch "nee' zeggen kunnen ze, na alle verwachtingen die zijn opgeroepen, ongetwijfeld een storm van hoon verwachten. Toch kan een dergelijk terugtreden achteraf gezien, wel eens een van die moedige en wijze besluiten zijn die werkelijk geschiedenis maken.