Van Kooten en De Bie starten tussen ernst en ironie

De eerste uitzending van Van Kooten en De Bie van dit seizoen werd geschraagd door een aantal thema's. Allereerst was er het fatsoensdebat: wie geeft er vandaag de dag richting aan de samenleving, wie geeft het goede voorbeeld? CDA-fractieleider Brinkman werd geprezen als “een staatsman van allure”, vanwege zijn pleidooi voor een sociale dienstplicht. Van Kooten was afgereisd naar een Indonesisch eiland om daar een Han van der Meer-achtige documentaire te maken over een tachtigjarige missionaris. Wim de Bie organiseerde een jacht op zwerfvuil voor scholieren, maar niemand kwam opdagen omdat de schoonmaakactie niet verplicht was.

De twee beheersen inmiddels tot in de perfectie een vorm die het midden houdt tussen ernst en ironie. Steeds minder komen er snorren, blazers of brilletjes aan te pas als een maatschappelijk fenomeen wordt gesignaleerd en aangeklaagd. Het bericht dat minister Pronk de dienstplicht wil afschaffen was koren op de molen van de twee vertwijfelde cultuurpessimisten die Van Kooten en De Bie gisteravond neerzetten: waar de minister in een klap een eind aan maakt is dat mooie verlangen dat je eindelijk uit dienst mag, het je leven lang dromen dat je er nog inzit en de verrijking van de taal met woorden als hap, stomp en neukpatroon.

Een ander thema was de vrijblijvendheid van al degenen die zich opwerpen als voorvechter van idealen of als woordvoerder in het maatschappelijk discours. Die documentaire van Van Kooten hield de stoet van bekende Nederlanders een spiegel voor, die met een cameraploeg voor het goede doel naar een Derde Wereldland afreisde: Freek de Jonge, Tineke, Philip Freriks, om er een paar te noemen. Zo'n bijdrage aan het maatschappelijk debat, concludeerden Van Kooten en de Bie, staat gelijk aan het op de bank HP/De Tijd op Zondag lezen terwijl buiten je fiets wordt gestolen.

Een derde rode draad vormde het jongste werk van Harry Mulisch, dat de avond daarvoor al bijna een uur lang door Sonja Barend en een aantal leden van Mulisch' "Herenclub' de hemel in geprezen was. Van Kooten en De Bie deden daar nog een schepje bovenop. Beiden hadden het omvangrijke werk binnen handbereik, maar De Bie was met lezen aanzienlijk verder gevorderd. Ze waren het over een ding eens: het is uit met de "grote drie', want na dit meesterwerk heb je eerst Mulisch als een gigantische nummer 1, dan een hele tijd niks en dan volgen Reve en Hermans. Mooi was de wijze waarop Van Kooten was aangeraakt door het hermetische wereldbeeld van de alom vertegenwoordigde Mulisch: zelfs in de video-opname van een wolkenpartij herkende hij de gelauwerde auteur.

Het knappe van Van Kooten en De Bie schuilt in het milde venijn dat uit hun formule voortspruit. De wijze waarop zij mensen en verschijnselen over de hekel halen is meestal pijnlijk raak, maar zodra zij zich bij het uitdragen van hun wrevel, woede en antipathie niet meer achter een mombakkes verschuilen, maken zij zichzelf tegelijkertijd kwetsbaar. Anders gezegd: de persiflage op een tv-spelletje was een briljant uitgewerkte, eenduidige aanklacht tegen de vercommercialisering van het bestel. Maar soms ook bijt de ironie van de twee in zijn eigen staart. Een Arabisch bordje in het Hollands landschap, waaraan Van Kooten zich hevig stoorde, kan hem dat werkelijk wat schelen? Dat die vraag rijst is "het ironische van de ironie', om met Mulisch te spreken.

    • Tom Rooduijn