Van dwarse dwerg tot bloeiend blad; Profiel van Opzij

Ze vormen een hecht koppel: minister d'Ancona (WVC) en de journaliste / schrijfster Wim Hora Adema. Een opstandig koppel ook. Met andere vrouwen van hun generatie werden zij de belichaming van de tweede feminstische golf. In 1972 richtten ze het radicaal-feministisch maandblad Opzij op, dat volgende maand twintig jaar bestaat. Voor hun inspanningen ontvangen d'Ancona en Wim Hora Adema op 27 november de Harriët Freezerring, de jaarlijkse emancipatieprijs van Opzij.

Het liefst wilde ze een feministisch dagblad maken. Met natuurlijk een vrouw als hoofdredactrice. “Zolang de hoofdredacteur een man is, krijg je als vrouw nooit de kans je feministische visie op mens en samenleving te publiceren. Ik ben er toch zelf op stuk gelopen”, zei de grand old lady van de Nederlandse schrijvende pers, Wim Hora Adema (78), in 1975 tegen Bibeb.

Toen was Hora Adema zeven jaar weg bij het Parool, bij welke krant ze 23 jaar werkte tot de toenmalige hoofdredacteur mr. H.W. Sandberg haar in januari 1968 meedeelde dat ze de vrouwenpagina van de krant niet meer hoefde te leiden, omdat die pagina volgens hem niet langer deugde. “Hij zei dat ik zo ouderwets was, dat ik niet eens wist, dat de emancipatie voltooid was. 1 februari kreeg ik m'n ontslag (...)”, aldus Hora Adema tegen Bibeb. Uit protest tegen dit ontslag vertrok een stoet medewerksters die Hora Adema bij het Parool had gehaald, onder wie Mies Bouhuys, Wina Born, Harriët Freezer en Hedy d'Ancona.

De maatschappelijke ontwikkelingen gaven Sandberg ongelijk. In oktober 1968 richtte d'Ancona samen met Joke Smit Man-Vrouw-Maatschappij op. Publikaties over de achterstelling van vrouwen op sociaal-economisch en politiek gebied volgden elkaar in rap tempo op. De vrouwenbeweging bloeide, maar ontbeerde een blad waarin alle stromingen tot hun recht konden komen. In november 1972 làg dat blad er: Opzij, radicaal-feministisch maandblad. Realisatie: Hedy d'Ancona Wim Hora Adema en Ad Werner. Ze wisten zich verzekerd van een groot aantal medewerksters, onder wie de Paroolvrouwen die Hora Adema in '68 waren gevolgd alsmede Joke Smit, Andreas Burnier, Annie Romein-Verschoor, Ethel Portnoy en de toenmalige Trouw journaliste Aukje Holtrop.

“Mensen! Is het volgende maand alweer twintig jaar geleden dat we begonnen?” Ontwerper Ad Werner (67) draait zorgvuldig zijn shagje, neemt een slok van zijn koffie en staart even naar buiten. “Leuke tijd hoor! Niets is spannender dan een eigen blad beginnen.” Hij kende d'Ancona van het Amsterdams journalistencabaret, waarvoor Werner de decors ontwierp. Hij stond ook weleens op het toneel maar “meer voor gek dan dat ik er iets van maakte”. Voor hem was emancipatie net zo normaal als elke dag onder de douche gaan en toen d'Ancona en Hora Adema hem vertelden over hun plannen om een blad te beginnen was hij meteen bereid het ontwerp te maken.

Werner: “Van Gorcum zou het uitgeven. Tijdens een van die besprekingen is ook de naam van het blad geboren. Ik zei: "De mannen moeten opzij, dus noem het dan zò'. Ik kan goed namen verzinnen, ik heb een soort scryptogrammenhoofd. Ik zat al lang in het tijdschriftenvak en ik wilde niet dat Opzij er net als andere tijdschriften zou uitzien, dus maakte ik een hoog en smal ontwerp. Geld was er niet, alles moest zo goedkoop mogelijk gebeuren.” Adverteerders waren nauwelijks geneigd over de brug te komen. “Ze wilden niet omdat ze dachten dat er niets te verdienen was aan die kleine groep opstandige vrouwen”, zegt Werner.

Ze waren opstandig, de eerste lichting Opzij-medewerksters. Het blad noemde zich radicaal-feministisch “omdat het meent dat de scheidslijn tussen de seksen fundamenteler en dieper verankerd ligt dan alle andere scheidslijnen tussen mensen en omdat het er van overtuigd is dat veranderingen in die situatie alleen mogelijk zijn via een nieuwe radicaal-feministische politiek en strategie”, aldus de initiatiefnemers in het eerste nummer.

Werner kon zich niet altijd vinden in de teneur van de artikelen. “Soms vond ik het behoorlijk eenzijdig en voelde ik me weleens in een hoek gedreven. Wim is een tofferd, zeer feministisch ingesteld maar minder soepel dan Hedy. Ik had ook weleens het gevoel dat Wim dacht, als ik er aankwam: "daar heb je die jachtopziener weer'. Ik droeg altijd een leren jasje en ik had een baard.”

Geen geld, nauwelijks advertentie-inkomsten en een uitgever die weinig deed om de verspreiding van het blad te bevorderen: Werner denkt hoofdschuddend terug aan de beginjaren van Opzij. Maar ermee stoppen kwam in niemands hoofd op. Integendeel, toen Van Gorcum er na een jaar een punt achter zette en niemand het blad wilde overnemen “kregen wij het blad kado en konden we ermee doen wat we wilden”, aldus Hora Adema en d'Ancona in 1977.

Er gloorde hoop toen Weekbladpers-directeur Harmen Bockma zich garant wilde stellen voor de uitgave van het blad, dat doorging zonder Werner: “De Weekbladpers had eigen vormgevers. Die maakten er een soort HP van, het werd ook commerciëler. Ik voelde me wel enigszins aan de kant gezet, maar ik zag wel dat het nodig was dat Opzij naar de Weekbladpers ging. Anders hadden ze het niet gered.”

De vreugde was evenwel van korte duur. Het blad verscheen weliswaar iedere maand maar, schreven d'Ancona en Hora Adema in 1977: “er werd weer niets voor gedaan, het bestond in stilte voort. Het kon eigenlijk niemand wat schelen zolang het geen geld kostte, en natuurlijk kostte het geld.” De uitgave wel te verstaan, auteurs leverden sowieso gratis bijdragen.

Zoals museumdirecteur Liesbeth Brandt Corstius die in 1974 een telefoontje kreeg van Wim Hora Adema met het verzoek om een afspraak te maken. “Ik was net weg als conservator bij museum Boymans en ik vond het ontzettend chic voor Opzij te worden gevraagd. Ik herinner me nog dat ik het eerste nummer destijds in de trein las en wat onwennig rondkeek in de coupé. Ik voelde me als iemand die een opruiend communistisch blaadje zat te lezen.”

Brandt Corstius schreef over feminisme en kunst, woonde de redactievergaderingen bij, thuis bij d'Ancona, maar voelde zich door haar “volstrekt athestische achtergrond” weleens een vreemde eend in de bijt. Bijvoorbeeld toen de feministische theologe Tine Halkes een door haar geschreven artikel ter redactie kwam toelichten waarin de problemen van vrouwen met een geloof aan bod kwamen. “Dat die ook al problemen hadden, leek mij belachelijk. Toen ik dat voorzichtig liet blijken, keken Hedy en Wim mij bestraffend aan. Ja, ik was wel onder de indruk van die dames.”

"Die dames' voerden ook een streng advertentiebeleid. Advertenties voor drank en sigaretten waren in de jaren zeventig taboe. “Dat vond ik terecht en dat vind ik nog steeds. Gewoon omdat het slecht is voor de mensen”, zegt Brandt Corstius. “Ja, je hoort het goed, ik neem nu een slokje wijn.”

De overschilligheid waarop d'Ancona en Hora Adema bij de Weekbladpers stuitten verdween toen in 1976 Opzij onder de hoede kwam van Jan Lagrouw, die was belast met het bevorderen van oplagecijfers van de uitgaven van deze uitgeverij. Er werden twee nieuwe vormgevers aangetrokken, Opzij kreeg gratis advertentieruimte in de Haagse Post en Vrij Nederland en de losse verkooppunten werden uitgebreid. Lagrouw leverde zelf de nummers af bij vrouwenboekwinkels en haalde onverkochte exemplaren weer op. Dat waren er steeds minder want Opzij maakte een gestage groei door. Het aantal abonnees steeg in 1976 van 1100 tot 4000. Nu bedraagt dat aantal bijna 35.000 en worden maandelijks gemiddeld 30.000 losse nummers verkocht.

“Soms konden we zelfs betalen voor artikelen. Dat wilden Wim en Hedy ook, al was het maar een symbolisch bedrag. De toon was fel, er stonden soms behoorlijk harde en verwijtende artikelen in. Maar echt extreem vond ik ze niet. Het waren strijdbare feministen. Nu vind ik het veel meer een blad voor mensen die belangstelling hebben voor emancipatie”, zegt Lagrouw, tegenwoordig culinair adviseur.

Een aantal journalistes vond eind jaren zeventig dat Opzij te netjes was, te elitair en te veel gericht op goed opgeleide vrouwen. “Wij waren radicaler, stormachtiger”, zegt VN-journaliste Ageeth Scherphuis. Zij vormde samen met onder anderen Aukje Holtrop, Hanneke Groenteman en Anja Meulenbelt de stichting Serpentine i.o. die in september 1979 het eerste nummer van Serpentine ("opinieblad voor vrouwen') op de markt bracht.

“Serpentine is wat radicaler dan Opzij. Wij hebben bijvoorbeeld steeds een duidelijk standpunt ingenomen tegen de wetswijziging inzake pornografie, duidelijker dan Opzij dat heeft gedaan. Ik denk dat Serpentine meer dan Opzij is verankerd binnen de vrouwenbeweging en daardoor sneller is genformeerd”, aldus medewerkster Hanneke Acker in 1982. Brandt Corstius: “Ze gingen meer dan Opzij de straat op. Serpentine kaartte bijvoorbeeld als een van de eerste bladen het probleem van thuiswerksters aan. Ik vond dat wel goed.”

In tegenstelling tot Opzij, dat in 1981 helemaal was overgenomen door de Weekbladpers, wilde het redactiecollectief van Serpentine zelfstandig blijven. Begin jaren tachtig hield dit blad op te bestaan.

Opzij daarentegen begon steeds meer aan de weg te timmeren onder leiding van de nieuwe hoofdredactrice Cisca Dresselhuys, die sinds de jaren zeventig aan het blad verbonden was. Acht maart-bijeenkomsten werden nieuw leven ingeblazen, jaarlijks werden Opzij-lezingen georganiseerd en regelmatig worden onderzoeken gedaan naar zaken als feminisme en seksualiteit, geld en carrière. Het advertentiebeleid werd iets soepeler. Dresselhuys: “We zijn begonnen met advertenties voor drank, later kwamen daar sigaretten bij. 't Is wel altijd een punt van discussie geweest maar de meerderheid van de redactie en van het bestuur rookt en drinkt op z'n tijd een glas wijn dus vroegen we ons af: tot hoe lang kunnen we nee zeggen? 't Had natuurlijk ook niets met feminisme te maken, maar alles met gezondheid.”

Ze is het niet eens met mensen die zeggen dat in de loop der jaren het karakter van Opzij zou zijn veranderd. Bijvoorbeeld dat het minder strijdbaar zou zijn. “Mensen vergeten dat Opzij dikker is geworden. Vroeger maakten we veertig pagina's waarop alleen speerpunten aan bod konden komen. Nu maken we meer dan honderd pagina's per maand en hebben dus meer ruimte voor andere verhalen waardoor het geheel een wat luchtiger aanblik heeft gekregen dan twintig jaar geleden.” Ook wijst ze uitlatingen van de hand dat het feminisme en daarmee misschien ook Opzij hun langste tijd zouden hebben gehad. “Een derde golf is in aantocht. Ik merk het bij meisjes en studentes wanneer ik met ze praat over wat zij met het feminisme willen. Ze zijn er druk mee in de weer, ze willen een loopbaan, een partner en een gezin. Vaak hoor ik dat Opzij ze daarbij moet helpen. Maar ik zeg wel: Jullie moeten het gezicht naar buiten vormen. Dat moeten niet weer de vrouwen van de tweede golf zijn.”

    • Anneke Visser