Sluipend naar Washington

De jaren tachtig duurden in de politiek heel lang. Aan het tijdperk van Reagan, Bush, Thatcher en Kohl kwam maar geen einde. In deze dagen laafden sommigen zich - onder wie wijlen Joop den Uyl - aan een essay van de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger jr. The cycles of American politics. In deze studie, geschreven aan het begin van de era Reagan-Bush, ontwierp de historicus een model van de ontwikkeling van de Amerikaanse politiek. In cycli van 12 tot 16 jaar laat volgens Schlesinger, de politieke cultuur van de Verenigde Staten een voortdurende verschuiving zien tussen een nadruk op de "publieke zaak' en het "private belang'.

Na perioden van hervormingsijver in de publieke sector - aandacht voor de opbouw van sociale zekerheid, gezondheidszorg, infrastructuur e.d. - komen telkens episodes waarin het private belang gaat domineren, aldus Schlesinger. In zo'n periode zijn het niet "klasse- en belangenpolitiek' die het beeld bepalen, maar "culturele politiek' die religie, moraliteit, etniciteit en status centraal stelt. Deze cyclische trend gaat gepaard met generatiewisselingen: “Iedere generatie die de macht verovert, neigt ertoe het werk van de voorafgaande generatie te verwerpen en de idealen te doen herleven van de periode dertig jaar daarvoor, waarin ze zelf is gevormd”.

Op basis van deze redenering voorspelde Schlesinger dat rond 1990 de "publieke zaak' zijn comeback zou maken in de Amerikaanse politiek. Hij verwachtte "een scherpe kentering in de nationale stemming en richting - een verandering die vergelijkbaar is met de uitbarstingen van vernieuwing en hervorming, die het begin kenmerken van de ambtstermijnen van Theodore Roosevelt in 1901, van Franklin Roosevelt in 1933 en van John Kennedy in 1961'.

Zo op het eerste oog vormt de waarschijnlijke verkiezing van Bill Clinton een perfecte bevestiging van deze voorspelling. De nadruk op "active government' - zorg voor onderwijs, infrastructuur, milieu enzovoorts roept het beeld op van een nieuwe verschuiving van private belangen naar de publieke zaak. Clinton heeft de "sociologische' blik van de hervormer. Ook het beroep op de bepalende indrukken van zijn eigen jeugd - waarvoor de handdruk die hij als jongere ooit van John Kennedy kreeg wel het ultieme symbool is - bevestigt het idee dat "verandering' in de lucht hangt.

Toch zitten er aan deze gave cyclische duiding van de geschiedenis de nodige haken en ogen. Zo eenduidig is de overgang niet. Clinton zegt het zelf tegen de Engelse romancier Jonathan Raban: “We hebben het mislukte presidentschap van Johnson gehad, de dood van Kennedy en King, het ontslag van Agnew, het gedwongen aftreden van Nixon, de ineenstorting van de economie, de frustratie van Iran in het laatste jaar van Carter en toen kwamen Reagan en Bush ons vertellen: "Ja, wat had je anders verwacht? Een regering is intrinsiek slecht'. ... Dus een van de grootste problemen voor mij ... is dat ik gewoonweg niet aansluit bij de ervaring van het Amerikaanse volk, dat gewend is aan politieke mislukkingen, economische mislukkingen, morele mislukkingen” (HP/De Tijd 2 oktober 1992).

Om een antwoord op deze ervaringskloof te vinden heeft de Democratische partij een diepgaande verandering ondergaan na twaalf aaneengesloten jaren van Republikeins presidentschap. De Democraten zijn op zoek gegaan naar "de verloren middenklasse' ofwel de zogenaamde "Reagan Democrats', de traditionele democratische stemmers die Reagan en Bush hebben kozen. Wat zijn hun motieven voor deze overstap, welke frustraties en verlangens liggen eraan ten grondslag?

De Amerikaanse schijfster Joan Didion haalt in een uiterst kritische beschouwing over Clinton een partijdocument aan waarin deze omslag in de volgende richtlijnen wordt samengevat: “Laat de Democratische partij ervoor zorgen dat de gemiddelde Amerikaan een goed leven kan leiden, in plaats van mensen uit de armoede te verheffen; laten we het hebben over de manier waarop jonge stellen hun eerste huis kunnen verwerven en over de financiële steun aan gezinnen uit de middenklasse om hun kinderen naar de universiteit te sturen, in plaats van het streven om daklozen te behuizen of de onderklasse van onderwijs te voorzien; laten we ervoor zorgen dat alle werkende Amerikanen hun gezondheidszorg kunnen bekostigen, in plaats van te zeggen dat de Democraten gezondheidszorg voor de armen nastreven” (The New York Review of Books, 24 september 1992).

Didion suggereert dat de voorspelde wending naar het publieke domein slechts een deel van de Amerikaanse burgers betreft, maar dat een groot deel van de Amerikanen die in problemen verkeert, onberoerd zal blijven door deze omslag.

Het morele verwijt van Didion, is ook een echt politiek dilemma: alleen door de Democratische Partij los te weken van de talloze "randgroepen' en "minderheden', die voor het grootste deel tot het leger van de niet-stemmers behoren, kan een wending worden voltrokken die wellicht ook de sociale onderkant ten goede komt. Zeker is dat allerminst, want Clinton heeft zich vooralsnog tot de gevangene gemaakt van het egoïsme en ressentiment van "de overbelaste middenklasse'. Een teken aan de wand waren zijn halfslachtige commentaren na de rellen in Los Angeles dit voorjaar.

Ook Schlesinger loopt in zijn beschouwing op dit probleem vooruit. Er is een enorm potentieel van desintegratie in Amerika en hij rijgt een litanie aaneen van groeiende ongelijkheid, een toenemend leger van armen, een structurele hang naar inflatie, industriële neergang, een afbrokkeling van het onderwijs, de vervuiling en ondermijning van de infrastructuur, het verval van de grote steden, de crisis in de landbouw, het afzwakken van raciale rechtvaardigheid, de toenemende schuldenlast, de groei van misdaad en geweld.

Dan volgt zijn sombere conclusie, die niet echt serieus is genomen door de (sociaal-)democraten die zijn geruststellende boodschap omarmden: “Mocht de nadruk op private belangen vandaag mislukken en de zorg voor de publieke zaak daarna falen, welk woest beest, wiens tijd eindelijk is gekomen, zal dan naar Washington sluipen om tot wasdom te komen?”

Dat is een verwijzing naar The Second Coming, het befaamde gedicht van W.B. Yeats uit 1920. In dit gedicht wordt een onheilspellend visioen van ontbinding en naderend autoritarisme geschilderd. Zou het toevallig zijn dat we deze beladen regels de afgelopen tijd te pas en te onpas tegenkomen?

Welk "woest beest' bedoelt Schlesinger, zinspeelt hij op een intolerant en radicaal populisme? Misschien is Perot de gemankeerde voorbode daarvan, in afwachting van een effectiever beroep op de walging ten opzichte van de carrière-politiek die wordt bedreven in Washington en omstreken. Of hebben we hier te maken met de routineuze zwartgalligheid van een intellectueel die gewicht aan zijn woorden wil geven? Want het vermogen tot vernieuwing van de Verenigde Staten is vaker onderschat.

Zeker is wel dat de keuze voor Clinton bij velen louter een stem is op het minste der kwaden. Echt enthousiasme heeft hij tot nog toe niet opgeroepen. Uit weinig blijkt dat hij wel een antwoord heeft op de ontwrichting van de Amerikaanse samenleving. Of "1992' in Schlesingers rijtje van "1901', "1933' en "1961' past, moet dan ook worden betwijfeld.

    • Paul Scheffer