Pronk heeft voorkeur voor beroepsleger

DEN HAAG, 19 OKT. Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) heeft een voorkeur voor een beroepsleger. Voor de AVRO-radio zei hij gisteren “een geheel dan wel gedeeltelijk beroepsleger (-) wenselijk” te vinden.

Met zijn standpunt loopt Pronk vooruit op de besluitvorming door het kabinet over het rapport van de commissie-Meijer. Daarin wordt handhaving van de dienstplicht aanbevolen. Wel zou die aantrekkelijker moeten worden gemaakt en worden bekort tot negen maanden.

Pronk die eerder pleitte voor verhoging van het budget van Defensie, zei gisteren verder: “Wanneer je dus echt behoefte hebt aan militaire inzet als politie-inzet, want daar gaat het eigenlijk om, onder de vlag van de VN, snel inzetbaar bijvoorbeeld vanuit een West-Europees land in Afrika, dan heb je eigenlijk geen behoefte aan grote massale eenheden bestaande uit hele jonge onervaren mensen.”

Hoewel het kabinet zijn standpunt over de dienstplicht nog bekend moet maken liet minister Ter Beek (defensie) in een interview met het blad Opzij van deze maand weten principieel voorstander van de dienstplicht te zijn. “Het gaat mij om de wisselwerking”, zei Ter Beek. “Dat de krijgsmacht gevoed wordt met jonge mensen, met nieuwe ideëen, met lastpakken, misschien, maar toch steeds frisse impulsen krijgt.” De minister van defensie wilde vanmorgen niet op de uitlatingen van zijn collega Pronk reageren.

Ook minister Van den Broek (Buitenlandse Zaken) is een voorstander van handhaving van de dienstplicht. Van den Broek baseert zijn standpunt vooral op zijn analyse van de veiligheid in de wereld. Zijn eigen partij, het CDA, wil de dienstplicht afschaffen.