"Mestbeleid mislukt door gebrek aan capaciteit'

DEN HAAG, 19 OKT. Het streven om eind 1994 zes miljoen ton dierlijke drijfmest industrieel te verwerken is niet haalbaar. Er zal tegen die tijd hooguit capaciteit zijn voor een miljoen ton. Voor de korrels die uit de industrieel verwerkte mest komen, is bovendien onvoldoende afzetmogelijkheid.

Tot die vaststellingen komen TNO en de Heidemij in een concept-rapport aan de regering. Het rapport, waarvan de definitieve versie pas volgende maand bekend zal worden, heeft bij de Stichting Natuur en Milieu geleid tot de vaststelling dat minister Bukman van Landbouw nu niet anders kan dan de veestapel verkleinen. Natuur en Milieu denkt aan een reductie van 25 tot 30 procent. De stichting meent dat de inkrimping plaats kan vinden door boeren die al van plan waren hun bedrijf te beëindigen, uit te kopen.

De boerenorganisaties verzetten zich fel tegen gedwongen inkrimping. Volgens ir. A. Latijnhouwers, voorzitter van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond en van de landelijke werkgroep die de industriële mestverwerking begeleidt, worden er op bedrijfsniveau al veel maatregelen getroffen om de hoeveelheid mest terug te dringen.

Latijnhouwers meent dat er eind 1994 geen zes miljoen ton mestoverschot meer zal zijn. Door het terugbrengen van het watergehalte in de mest zou het overschot op dat moment nog maar drie tot drieëneenhalf miljoen ton zijn. Promest in Helmond, dat al drijfmest tot korrels verwerkt, zegt dat er alleen al Brabant in 1995 een verwerkingscapaciteit van 1,5 miljoen ton zal zijn.

In het rapport van TNO en Heidemij wordt gezegd dat de gegarandeerde aanvoer van de mest door de boeren eveneens problemen zal opleveren. Tot nog toe zijn er daarvoor volgens het rapport te weinig langlopende contracten gesloten.