In het bos

La Gomera is een kleine dertig kilometer in doorsnee. Aan de kusten domineert een tropische helderheid, maar het binnenland, ruim boven de duizend meter, een onwaarschijnlijk samenstel van kammen en kloven, gaat vrijwel permanent gehuld in wolken. Vrolijk slierten de nevels over het wegdek. Hier bestaat een kans van regen en kou.

Dit is het terrein van een van de wonderlijkste bossen op aarde, het Bosque del Cedro: altijdgroene laurierbomen in het vochtige midden, en aan de drogere buitenkant vooral Erica arborea, een soort boomheide, hier kun je onder de hei lopen.

Een relict uit het Tertiair, zegt men. Een miljoen jaar oud, of zelfs nog ouder, of in elk geval ontzettend oud en gedurende heel deze ouderdom heeft het mogen groeien zoals het wou, geen mens heeft zich ermee bemoeid. Waarlijk bos!

Op ansichtkaarten vertoont het zich naar believen spook- of sprookjesachtig. Slechts hier en daar een reus. Merendeels spichtige stammen die vloeidunne jaarringen doen vermoeden. Overal baardmossen. Overal varens. Overal groen beslagen rotsblokken. Ook ligt overal wel wat doods. En de albasten glans van het beekje duidt op een naar fotografische maatstaven aanzienlijke sluitertijd.

We zijn in dit bos geweest. Ik heb er weinig aan toe te voegen. Ik voelde me jong. Ik meende een merel te zien.

    • Koos van Zomeren