Een vergeten film in het Amsterdamse Verzetsmuseum; "Ik werk niet voor de moffen'

Verzetsmuseum, Lekstraat 63, Amsterdam, dinsdag 20 t/m zondag 25 oktober, dagelijks om 11 en 14 uur.

Moet de machinebankwerker Willem Visser zich conformeren aan het vijandig gezag en braaf gehoorzamen als de bezetter hem oproept voor de Arbeidsinzet? Even nog aarzelt hij; als hij weigert, betekent het dat hij moet onderduiken - en hoe moet het dan verder met zijn gezin? Zijn zoontje, een blond modelknaapje met een standvastige intonatie, helpt hem met een paar dappere woorden over de streep: “Pieker daar maar niet over. Wij komen er wel. Ik ben er ook nog.” Moeder slaat haar arm om het jongetje heen. Het zal waarachtig wel gaan, zeggen haar ogen. Nu kan Visser dus gerust zijn. Hij zoekt aansluiting bij de onderduikersorganisatie LO/LKP, verlaat huis en haard en vindt, ver weg, onderdak in een boerderij. En als de boerenzoon hem vraagt naar het waarom, kan hij op onwankelbare toon - vervuld van Hollandse nuchterheid - antwoorden: “Ik werk niet voor de moffen.”

Het is, schreef de voormalige verzetskrant Het Parool in 1949, “een verheffend beeld van moed, geloof en plichtsbetrachting” dat in de film LO/LKP werd geschetst. “Er zit in dit gegeven en in de wijze waarop het gerealiseerd is, een zuivere spanning”, oordeelde het katholieke dagblad De Tijd, “en er bloeit herhaaldelijk een treffende ontroering uit op.” Terwijl de recensent van het Algemeen Handelsblad zich bovendien overtuigd betoonde van “de ernstige wil om voor het nageslacht een indruk te bewaren van hoe het was in die zwarte jaren en omdat deze film - gelukkig zonder happy ending - bij menigeen herinneringen wekt aan hoe het was, zal zij op landgenoten ongetwijfeld diepe indruk maken.”

Men zou, met zulke kritieken, vermoeden dat LO/LKP de Nederlandse filmgeschiedenis is ingegaan als een belangrijke produktie.

En toch is niets minder waar dan dat. Zelden was een film meer vergeten dan deze, een van de allereerste films van na de bevrijding. Nog een enkele keer op een cinematografisch retrospectief, maar nooit meer op de televisie. Op zijn minst zou een enkele omroepemployé zich deze week naar het Verzetsmuseum te Amsterdam moeten begeven; nu LO/LKP daar de komende dagen twee keer per dag wordt vertoond, doet zich een uitstekende gelegenheid voor om de film op tv-geschiktheid te beoordelen.

Voor de in kunstzinnige documentaires gespecialiseerde Max de Haas was LO/LKP een opdrachtfilm, waartoe het initiatief werd genomen door de gelijknamige Landelijke Organisatie/Landelijke Knokploegen. Zelf was hij tijdens de bezetting in Indië geïnterneerd geweest, maar op basis van de verhalen die hij te horen kreeg, slaagde De Haas er tenslotte in een scenario op te stellen dat alle in de onderduikershulp verenigde bloedgroepen tevreden kon stellen. Zijn hoofdpersoon maakte hij gereformeerd, diens principiële gastgezin daarentegen katholiek - zo kon ieder zich gerepresenteerd weten.

Voor de acteurs koos hij, naar het voorbeeld van het Italiaanse neo-realisme, merendeels amateurs. Zo werd de machinebankwerker gespeeld door Frans van der Laan, in het dagelijks leven werkzaam op de deviezenafdeling van de Nederlandsche Bank, en de SD'er met het Himmler-brilletje door de voor Hitler gevluchte dichter Wolfgang Cordan. Slechts één beroepsacteur werd geëngageerd: de karakterspeler Chris Baay, die hier de onsympathieke rol van infiltrant in een verzetsgroep te spelen kreeg. “Het merendeel der spelers komt uit de verzetsbeweging”, vermeldde het affiche, want zulks kon in 1949 nog als aanbeveling gelden.

Aan het filmverhaal gaat een verklaring van het LO/LKP-bestuur vooraf, inclusief lakzegel en gereproduceerde handtekeningen, waarin wordt onderstreept wat blijkbaar ook de opdracht aan De Haas is geweest: geen spectaculaire heroïek, geen “helden of avonturiers, maar gewone ordelijke burgers”. In opperste rust registreert de film vervolgens gedurfde acties als een overval op een distributiekantoor en de bevrijding van gevangenen, zonder daar enig misbaar bij te maken. Zo was dus het beeld dat het verzet van zichzelf wenste - de sobere, in diepe ernst gedompelde werkzaamheden van mensen die als vanzelfsprekend vonden dat ze iets moesten doen. “Zijn jullie niet bang dat ze jullie op een of andere manier te pakken krijgen?” luidt de vraag aan een verzetsman. “Dat wel”, antwoordt hij, “maar het werk moet toch gedaan worden.” Einde gesprek.

Ja, de spelers brengen hun dialogen doorgaans op starre declamatietoon tot klinken, vervuld van eerbied voor hun personages. De recensenten van destijds hadden daar al kritiek op. En de Engelse piloot die zich met de boodschap “I say, my plane has crashed” bij de boerderij aandient, is bepaald karikaturaal. Maar zodra er niet gesproken hoeft te worden, heeft LO/LKP de kracht van een authentieke documentaire - met één overweldigend verschil ten opzichte van alle andere, vaak veel vakkundiger vervaardigde oorlogsfilms van later: het uiterlijk van de mensen die erin verschijnen. Al die mannen en vrouwen staat, nauwelijks vier jaar na de bevrijding, de oorlog nog op het gelaat getekend. Die diepe groeven in hun tanige gezichten en die brandende blikken in hun ogen zijn niet te spelen. Die waren er nog.

    • Henk van Gelder