Een uit de hand gelopen slagveld

Voorstelling: Gered van Edward Bond door het Zuidelijk Toneel. Regie: Ivo van Hove. Vertaling: Rob de Graaf. Decor: Jan Versweyveld. Spel: Camilla Siegertsz, Bart Slegers, Adrian Brine, Frieda Pittoors e.a. Gezien: 16/10, Schouwburg, Eindhoven. Nog te zien: t/m 17/12 in het gehele land.

Ooit, bij de wereldpremiere, veroorzaakte Edward Bonds toneelstuk Gered een schandaal. Maar dat was in 1965 en in bigot Engeland. Nu en in ons land mag een regisseur niet rekenen op een succes de scandale, louter en alleen omdat in Gered een baby gestenigd wordt. Men moet wel erg kortzichtig zijn om niet te begrijpen dat het theater juist bij uitstek de plek is om met je moeder naar bed te gaan, oudjes te vermoorden of babies te stenigen. Liever daar dan elders.

Wellicht om die reden heeft Ivo van Hove de roemruchte baby-scene op bijna terloopse wijze geensceneerd. Het moment waarop vader Fred samen met bevriend schorem uit verveling stenen in de kinderwagen keilt is in het geheel geen dramatisch hoogtepunt. En om dat te benadrukken laat Van Hove onmiddelijk daarna een pauze volgen op het toneel: sigaretjes rokend scholen de spelers samen in een hoek. Ze wachte op de bel voor de tweede ronde, als boksers tijdens een wedstrijd.

Dat beeld is toepasselijk, Bonds stuk is vervuld van geweld, lichamelijk en verbaal, hard en vulgair. Het toont een tranche de vie uit Coronation Street, uit een volkswijk waar ook in de geindustraliseerde wereld, en in principe kan Gered net zo goed model staan voor de oorlogen in de betere buurten. Maar alleen in principe, want de marxist Bond gaf zijn personages wel degelijk bewust de kenmerken van de laagste klasse - teneinde te bewijzen dat omstandigheden de mens maken.

Eendimensionaal materialisme dat met Gered een monument van eenduidigheid heeft voortgebracht. Nergens doet Bond een noemenswaardige poging uit het inferno te ontsnapppen, hij gunt zijn personages geen enkele diepgang en dat is paradoxaal genoeg de bijzondere kracht van zijn stuk. De figuren erin leven voor seks, geweld, ruzie en primaire behoeftenbevrediging.

Op het gedoodverfde hoogtepunt van de babymoord na vertoont de handeling nauwelijks relief. Het gevaar dat het geschreeuw, de scheld- en vechtpartijen en het primitieve geneuk snel bekeken zijn, is dan ook groot. Van Hove lijkt dat gevaar onderkend te hebben. Hij veronachtzaamt de handeling vorstelijk ten gunste van de emotie. Die is voor hem en wat mij betreft ook voor de toeschouwer het enige, voortdurende hoogtepunt.

Het decor lijkt op een observatieruimte, van driftgedrag in dit geval. Aan weerszijden zette ontwerper Jan Versweyveld lange tafels, waarop hij de theatertechnische apparatuur installeerde alsmede de symbolen van het moderne leven: koelkasten, televisies. Op een enkele stoel na is het slagveld zelf leeg.

Want dat, een slagveld, maken de spelers van het toneel. De mij tot nu toe onbekende Camilla Siegertsz is als Pam een ongeleid projectiel, oorverdovend en oogverblindend. Ze krijst en schopt en ze jankt als een gewonde hond. Ze staat voor de orkaan van geweld die Van Hove toont, samen met Frieda Pittoors die van de moeder een fantastisch, schaamteloos viswijf maakt. Tegelijkertijd slagen beide actrices erin te ontroeren: Siegertsz als ze huilt om haar leven, aan het slot, en Pittoors als ze Len verleidt via een ladder in haar nylons.

Dat zijn meteen, samen met het slot, de enige momenten van hoop. Aan het eind klappen vier wanden omhoog uit de vloer en omsluiten de personages. Ze vormen ineens een gezinnetje, Hopperiaans belicht door een Hopperiaanse uitsnede in de voorwand. Op de voorgrond repareert Len, volgens Bonds voorschrift, een stoel.