Edita Gruberova zingt waanzinscènes vanuit ijzingwekkende stilte

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Edita Gruberova, sopraan. Programma: G. Rossini: ouverture La gazza ladra; G. Donizetti: waanzinscène uit Lucia di Lammermoor; A. Thomas: waanzinscène uit Hamlet; N. Rimsky-Korsakov: Sheherazade. Gehoord: 17/10 Concertgebouw Amsterdam.

Minister d'Ancona (WVC) en vice-premier Kok waren zaterdagavond in het Amsterdamse Concertgebouw de eregasten op het Benefiet-Gala dat het in benarde financiële omstandigheden verkerende Koninklijk Concertgebouworkest jaarlijks geeft ten bate van zichzelf. Mr. Glasz, vice-voorzitter van het bestuur, sprak hen aan het begin van de avond op subtiele wijze toe en betoogde dat de faam van het orkest, waarmee officieel Nederland zo graag in het buitenland pronkt, kwetsbaar is en een prijs heeft die door het Rijk, de gemeente Amsterdam, sponsors, vrienden, donateurs en publiek moet worden opgebracht. Na de heftige - en ook voor het Concertgebouworkest teleurstellend verlopen - discussie over het nieuwe Kunstenplan, kon zo de dringende boodschap van het orkest aan de bewindslieden zelfs onuitgesproken blijven: die is hen immers wel bekend.

Het door Riccardo Chailly gedirigeerde concert was feestelijk en spectaculair met als hoogtepunt het bejubelde optreden van coloratuursopraan Edita Gruberova in de waanzinscènes uit de opera's Lucia di Lammermoor van Donizetti en Hamlet van Thomas. Gruberova bleek in glanzende vorm en zong in dit technisch opzicht zoveel eisende repertoire met een verbluffende mate van moeiteloosheid en zuiverheid. Weergaloos is ook haar weloverwogen en niet gekunstelde interpretatiekunst, waarmee Gruberova de waanzin van Lucia en Ophelia uitbeeldt.

Die waan - het wankelen op de grens van realiteit en droomwereld, van weten en niet willen weten - laat Gruberova horen vanuit een ijzingwekkende stilte, in de Lucia-scène fraai begeleid door fluitist Paul Verhey. Met ongelooflijk fijnzinnige en - het publiek bijna gekmakende! - etherische pianissimo-noten geeft ze gestalte aan de meest intieme, gefluisterde en soms bijna alleen maar innerlijk gedachte wensdromen van haar kwetsbare personages. En dan weer - soms in één woord - waaieren die obsessies verbijsterend luid extravert en krijsend uit, maar wel met een strak beheerste techniek.

Wat Gruberova presteert is nooit ongecontroleerde vrije expressie, het blijft altijd echte zangkunst en in haar geval is die van het allerhoogst denkbare niveau. Al even verbazingwekkend en superieur waren de moeiteloze stilistische omschakelingen: van het vroege Italiaanse belcanto van Donizetti via de wat vollere Franse stijl van Thomas naar - in de epaterende toegift - de zeer Weense luchtige en kokette typering van het dienstmeisje Adele uit Strauss' Die Fledermaus.

Het Concertgebouworkest excelleerde - na een soms nogal luidruchtige maar effectvolle versie van Rossini's ouverture La gazza ladra - in Sheherazade van Rimsky-Korsakov. Chailly bracht het romantische werk in grootse stijl, briljant klinkend, gevoelig en toch stevig en nergens zwijmelend. Concertmeester Jaap van Zweden droeg daaraan veel bij met zijn prachtig gespeelde soli.