Sturen of gestuurd worden III

Daags na het "kleine ja', dat het Franse referendum over het verdrag van Maastricht opleverde, gaf onze minister van buitenlandse zaken, Hans van den Broek, vanuit New York desgevraagd zijn commentaar. Het was natuurlijk een "nipte' zege, maar dat deed niets af aan het feit, dat de uitslag toch ja luidde. We hadden op het nee van de Denen achteraf toch ook niet afgedongen. “Zo gaat het nu eenmaal in een democratie”, aldus de minister letterlijk, “the winner takes it all”. En ik nog maar steeds denken, dat het er sinds de Franse revolutie in de moderne democratie, opgevat als de belichaming van het ideaal van de macro-sociale zelfsturing, nu juist om gaat het principe van de wederkerigheid in de bestuurspraktijk te verankeren.

De meerderheid wint wel, maar overwint niet. Laat staan, dat zij zo vrij zijn de minderheid haar wil eenzijdig op te leggen. De meerderheid krijgt slechts het mandaat om zo voor de totaliteit, de gemeenschap van alle stemgerechtigden dus, op te treden, dat de rechten van de minderheid - lees: de essenties, die zij door haar stem tot uitdrukking wil brengen - geëerbiedigd en behoed worden. Wederkerigheid is dus cruciaal, zo heb ik het altijd begrepen.

Nu zou men de uitlatingen van de minister schouderophalend kunnen afdoen als het zoveelste omineuze teken, dat de politiek op een dwaalspoor is geraakt, maar ik wil er in deze korte serie over zelfsturing of zelfmanagement iets meer mee doen dan dit (de eerste en de tweede aflevering verschenen in deze krant op 15 augustus en 12 september). De vraag is n.l. of win-lose strategieën - en daar hebben we het hier over - überhaupt nog effectief en zinvol zijn in het huidige sociale leven en vervolgens wat het antwoord op deze vraag te maken kan heben met zelfsturing.

Peter Drucker, sinds de vijftiger jaren ononderbroken één van de meest vooraanstaande management goeroes in Amerika, heeft al in de Economist van 21 oktober, 1989 een glashelder antwoord gegeven op het eerste deel van de vraagstelling. “In de negentiger jaren zal de trend naar "reciprociteit' als een centraal principe van internationale economische integratie onomkeerbaar worden, of men het leuk vindt of niet”. Deze trend duidt niet op een plotselinge ideologische ommekeer. Alsof ondernemers ineens massaal tot inkeer zouden komen onder inlevering van het tot dusver zo teder gekoesterde concurrentie-principe. Nee, het gaat eenvoudigweg om de nuchtere consequenties van een werkelijkheid, die concreet bestaat en die we allemaal kunnen waarnemen.

In een wereldeconomie zonder vluchtstroken blijkt alles met alles samen te hangen. We hebben zelfs doelbewust hierop aangestuurd, door sinds Adam Smith arbeidsdeling tot de drijvende kracht van de economische ontwikkeling te verheffen. Nu de arbeidssplitsing mondiaal werkelijkheid is geworden, staan wij tegelijkertijd oog in oog met het verschijnsel van de wederzijdse afhankelijkheid. Michaël Gorbatshov zei het in 1988 tijdens de algemene vergadering van de Verenigde Naties kernachtig als volgt: “De wereld is een ondeelbaar organisme geworden”.

Wie zich dit realiseert komt ook tot de conclusie, dat er in zo'n wereld uiteindelijk geen winnaars of verliezers meer zijn. De enige zinvolle strategie bestaat uit het beoefenen van reciprociteit. Peter Drucker gaat nog een stap verder wanneer hij stelt, dat de organisatievorm, die hierbij hoort de "alliantie' is. Nu vind ik deze term vanwege zijn protectionistische kleur niet zo gelukkig. Ik heb het daarom in dit verband liever over "associaties'. De kern van de zaak is immers, dat het gaat om een vrij besluit van personen, groepen of instituties om partner te worden voor een tijdelijk samenwerkingsdoel. Zonder de eigen identiteit prijs te geven wel te verstaan. En dit is dan ook het grote verschil met concentraties, fusies of acquisities, strategische opties, die vroeger of later wel degelijk tot identiteitsverlies kunnen leiden.

Associaties zijn per definitie tijdelijk omdat zij, afhankelijk van de externe functie, niet alleen tot bundeling maar ook tot ontbundeling van krachten moeten kunnen voeren. De vorm volgt dus de functie. Dat is nog ongebruikelijk, maar het zal bij instabiliteit zeker toenemen. Zie ook de ervaringen, die nu reeds bestaan met beweeglijke netwerken.

Allianties of associaties hebben grote voordelen uit een oogpunt van slagvaardigheid, risicospreiding, draagvlakvergroting en motivatie. Aan de andere kant blijkt, dat het lang niet makkelijk is om ze goed te hanteren. Want zij vragen om extreme en niet zelden onwennige transparentie. Niet eens zozeer op juridisch gebied. Grote duidelijkheid is met name geboden naar buiten toe ter zake van aanspreekbaarheid bij succes zowel als bij falen, en naar binnen toe op het terrein van cultuur, tolerantiegrenzen en niet in de laatste plaats bij de inschatting van sterkten en zwakten van menselijke kwaliteit.

Dit alles houdt samengevat de opgave in, om te kunnen gaan met de merkwaardige paradox, dat men in associaties glashelder zicht moet hebben op zijn eigenheid en voorts grenzen moet kunnen stellen ten einde de extra ruimte, die geboden wordt, creatief te kunnen hanteren.

Dit heeft mijns inziens alles te maken met zelfsturend vermogen, opgevat als de kunst om de eigen autonomie konsekwent in verbinding te kunnen brengen met een totaliteit. Wie deze kunst niet beheerst, kan gemakkelijk speelbal worden van de illusies, die elk partnership nu eenmaal bedreigen. Men stuurt dan niet meer, maar men wordt gestuurd. Ten koste uiteraard van de kwaliteit van de reciprociteit. Waarmee ook het tweede deel van de vraagstelling beantwoord is.

    • Prof. Dr. C. J. Zwart