Sociale partners wijzen openbreken CAO's 1993 nog af; Zorg over "dure' contracten

ROTTERDAM, 17 OKT. De Kamer verzocht het kabinet deze week tijdens de algemene beschouwingen bij werkgevers en werknemers aan te dringen op het openbreken van reeds afgesloten collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's) voor volgend jaar als de inflatie aanzienlijk lager uitvalt. Maar de contractpartijen voelen daar zelf niets voor. Contract is contract, luidt hun eensgezinde standpunt.

Uit de tot nu toe afgesloten CAO's voor 1993 komt een loonstijging van 4,47 procent naar voren. Op het moment dat ze werden afgesloten lag de raming van de inflatie voor volgend jaar boven de 4 procent, beduidend méér dan de 2,25 procent waarop de jongste (voorlopige) inflatie-prognose van het Centraal Planbureau uitkomt. Volgens Kamer en kabinet bedreigen deze contracten loonmatiging, die noodzakelijk wordt geacht om de tegenvallende economische ontwikkelingen het hoofd te bieden.

PvdA-fractieleider Wöltgens suggereerde tijdens het debat dat de regering in te dure CAO's moet ingrijpen als contractpartijen niet zelf tot een aanpassing besluiten. Hij herinnerde aan het speciale wetje dat het eerste kabinet-Lubbers in 1982 maakte om CAO-afspraken buiten werking te stellen die niet strookten met het centraal akkoord dat kabinet en sociale partners toen bereikten (over afschaffing van de automatische prijscompensatie, rendementsherstel en herverdeling van werk). Werkgevers en werknemers stemden toen in met dit zogenoemde paraplu-wetje.

Een soortgelijke aanpak wijzen zij voor de volgend jaar doorlopende CAO's af. De vakcentrale FNV en de aangesloten bonden zijn, aldus voorzitter J. Stekelenburg, bereid hun verantwoordelijkheid te nemen als het dramatisch slecht zou gaan met de economie, maar daarvan is volgens hem geen sprake. “In de politiek heerst nu al het 1982-gevoel, toen er maandelijks 15.000 werklozen bijkwamen.”

Voor 1993 zijn op dit moment 26 CAO's bekend. Ze hebben betrekking op in totaal ruim 1 miljoen werknemers. De loonsverhogingen in 1993 in de grootste tien contracten betreffen:

Metaalnijverheid - 290.000 werknemers; 4,75 procent per 1 april.

Ziekenhuizen - 260.000 werknemers; 4 procent per 1 april en een eenmalige uitkering van 1 procent in maart.

Levensmiddelen- en grootwinkelbedrijf - 170.000 werknemers; 2,25 procent per 1 januari en 2 procent per 1 juli.

Kruiswerk en gezinszorg - 110.000 werknemers; 4 procent per 1 april.

Bejaardenoorden - 80.000 werknemers; 4 procent per 1 april.

Beroepsgoederenvervoer - 60.000 werknemers bij de doorgaans kleinere transportbedrijven; 1 procent bovenop de prijscompensatie.

Welzijnswerk - 54.000 werknemers; 4 procent per 1 april en een eenmalige uitkering van 0,75 procent in december.

Philips - 40.000 werknemers; 2 procent op 1 april en 1,5 procent op 1 oktober.

KLM - 25.000 werknemers; 2 procent per 1 januari en 2,5 procent per 1 juli.

Textielindustrie - 22.000 werk-nemers; 4,5 procent per 1 januari.

Tabel:

Opbouw gemiddelde totale contractloonmutatie

.........................1990¹.... 1991¹.......1992²

.........................definitief.....definitief........voorlopig

prijscompensatie.. ...0,50...........0,79..............0,79

initieel.loon............2,38...........3,10..............3,59

toeslagen................0,02...........0,02..............0,06

eenmalige.uitkeringen....0,33..........-0,21.............-0,03. .........................---+...........---+..............---+

totale.loonmutatie

op.niveaubasis³....3,23.......... 3,70..............4,41

overloopsaldo³.....-0,23...........-0,25.............-0,09. .........................---+...........---+..............---+

totale.loonmutatie

op.jaarbasis³.......2,91...........3,45.............4,32

totale.loonkostenmutatie4

per.werknemer.per.uur

-op.niveaubasis..........3,30............4,11............4,67

-op.jaarbasis............3,00............3,87............4,55

¹) Marktsector.

²) Marktsector en gepremieerde en gesubsidieerde sector.

³) De mutatie op niveaubasis wordt bepaald door het verschil in loonsom per werknemer tussen twee peildata, meestal op 31 december. In de berekening van de mutatie op jaarbasis wordt rekening gehouden met de datum van ingang van de loonmutatie. Staat in de CAO met een looptijd van een jaar dat de lonen per 1 april 1992 omhoog gaan met 4 procent, dan is de mutatie op niveaubasis eveneens 4 procent, maar op jaarbasis (¾ x 4 =) 3 procent in 1992 met een overloop van (¼ x 4 =) 1 procent naar 1993. De correctie voor eventuele overloop uit het voorgaande jaar en overloop naar het volgende jaar is het overloopsaldo.

4) Bij de loonkostenmutatie per werknemer en per uur wordt rekening gehouden met de lasten van Vut en bovenwettelijke uitkeringen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid en met de gevolgen van een eventuele verandering in de arbeidsduur.

BRON: MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERGELEGENHEID, DCA