Republikeinse coalitie valt in duigen

WASHINGTON, 17 OKT. De Republikeinse conventie in Houston heeft veel Amerikanen schrik aangejaagd: de van huis uit liberale country-club-Republikein George Bush stond aan het hoofd van juichende religieuze fundamentalisten.

Het tafereel van afgelopen augustus liet zien hoe ver de Grand Old Party van het politieke midden is afgedwaald. Met een conservatieve meerderheid in het Hooggerechtshof komt het recht op abortus in gevaar. Alleenstaande ouders en homoseksuelen werden buitengesloten in Houston. De conventie beklemtoonde conservatieve sociale issues, terwijl het grote publiek gedurende deze economische recessie heel andere zorgen heeft. Het sociale conservatisme heeft niet de verbindende kracht van de retoriek van de Koude Oorlog.

In het verkiezingsjaar 1988 was de grond al aan het schuiven geraakt maar dit jaar is het gekomen tot een scheuring in de nationale coalitie, die de Republikeinen gedurende 24 jaar hadden opgebouwd. Libertariërs (de ideologen van de vrije markt), rechts evangelische christenen en verzorgingsstaathaviken hebben te sterk uiteenlopende visies op de overheid om het in elkaars gezelschap te kunnen uithouden. Wat er op 3 november ook met Bush gebeurt, de huidige scheuring zal van grote invloed zijn op de Amerikaanse politiek in de komende jaren.

De Democraten zijn er dit jaar mede onder leiding van Bill Clinton in geslaagd om hun breuk te lijmen. Hun oorspronkelijke grote coalitie stamt uit de tijd van de New Deal van Franklin Delano Roosevelt in de jaren dertig. De presidenten John Kennedy en Lyndon Johnson tastten echter hun politieke basis aan door hun steun aan de burgerrechtenbeweging.

Zuiderling Johnson zag al in dat hij het fort niet lang meer kon houden. De emancipatie van Amerikaanse zwarten leidde tot verdeeldheid in het traditioneel Democratische zuiden. Blanke zuiderlingen liepen voor het eerst sinds de Burgeroorlog massaal over naar de Republikeinen. Anderzijds vervreemdde ook de progressieve achterban van de partij door de escalatie van de Vietnamoorlog. Bij de Democratische conventie van 1968 in Chicago werden de linkse demonstraties voor de deur hard neergeslagen.

George McGovern wist als een soort Amerikaanse Joop den Uyl nieuw links in de partij te halen en maakte zichzelf daardoor onverkiesbaar. Sindsdien werd de Democratische conventie steeds meer gedomineerd door een agenda-discussie tussen linkse belangengroepen van minderheden, feministen en vakbonden. Het presidentschap van de Democratische outsider Carter was een tijdelijke afwijking ten gevolge van de Watergate-crisis. Vier jaar later was de Republikeinse coalitie weer hersteld.

Bij gebrek aan toegang tot het Witte Huis werden de Democraten steeds meer de partij van het Congres. De volksvertegenwoordigers bekwaamden zich in het dirigeren van federale overheidsgelden naar hun kiesdistricten, zodat de tegenstanders van belastingen minimale schade leden van hun karigheid. Het enorme overheidstekort is het gevolg van het idee dat er een soort belastingvrije verzorgingsstaat mogelijk is.

De Republikeinse president Nixon had als eerste gebruik gemaakt van de blanke rancune in het Zuiden. In 1968 had hij nog concurrentie van de onafhankelijke segregatiekandidaat George Wallace maar in 1972 kreeg hij het rijk voor zich alleen. Ook elders in het land zwaaiden welgestelde laag geschoolde arbeiders (Archie Bunkers) om naar de Republikeinen. Sommigen werden Republikeinen, anderen zogeheten Reagan-Democraten, voormalige Democraten die op Ronald Reagan stemden. De Republikeinen genoten ook het meeste vertrouwen in de Koude Oorlog.

Onder Reagan bereikte de coalitie haar hoogtepunt maar zette tevens het herfsttij in. Hij stimuleerde economische expansie met belastingverlaging en een hoge defensiebegroting. De vliegdekschepen, ruimtewapens en onzichtbare bommenwerpers werden bekostigd met overheidsleningen, gratis dus voor de kiezer. De minder charismatische Bush had de taak om de reeds inzakkende Republikeinse hausse voort te zetten. Hij beloofde geen belastingen te zullen verhogen (“Lees mijn lippen”) en durfde die belofte pas in 1990 te breken. Het begrotingsakkoord vervreemdde hem van de rechter vleugel van zijn partij. Reagan had de religieuze fundamentalisten en de anti-overheids-libertariërs kunnen samensmeden met lage lasten. Hij hoefde zijn sociale conservatisme niet zo sterk te etaleren. De Koude Oorlog bood hem al voldoende munitie.

Bush heeft nu niets meer te bieden. Zijn spijtbetuiging over de belastingverhoging is niet meer geloofwaardig. Hij probeerde de fundamentalisten terug te halen met sociaal conservatisme maar vervreemdde zich daarmee van de libertariërs die geen enkele overheidsinmenging dulden, ook niet in het privéleven. Vooral vrouwelijke kiezers lopen massaal over naar de Democraten. Elke tegemoetkoming aan de ene kiezersgroep gaat ten koste van de andere. Bovendien brokkelt de basis van welgestelde overalldragers steeds verder af. Reagan wist hen nog aan het werk te houden in een "oorlogseconomie' maar na de val van de Berlijnse muur is dat niet meer mogelijk. Als laissez-faire-president had Bush ook geen plan om de pijn van de omschakeling te verzachten. Hij verzette zich (tevergeefs) tegen verlenging van de uitkeringsperiode voor werklozen en stelde een industriebeleid gelijk aan het uitkiezen van “winnaars en verliezers”.

De gelukkige fabrieksarbeider in zijn huisje op de voorstedelijke prairie is inmiddels steeds meer een beeld van het verleden. Ook andere industrieën voor laag geschoold personeel kampen met massale ontslagen. De afgelopen jaren waren ook kantoorwerkers slachtoffer van de afslankingen. Steeds minder werkgevers kunnen het zich veroorloven om de ziektekostenverzekering voor hun werknemers af te sluiten. Met dergelijke sociale onzekerheid wordt de roep om de overheid steeds luider.

Nog steeds droomt de middenklasse van een gratis verzorgingsstaat. Clinton wordt niet vertrouwd op het gebied van de lasten en hij durft er weinig over te zeggen. De middenklasse heeft meer medelijden met zichzelf dan met arme Amerikanen en Clinton heeft zich vooral tot die middenklasse gericht. Hij heeft evenveel handicaps als de vorige Democratische kandidaat Michael Dukakis maar hij is veel kansrijker omdat veel kiezers in tegenstelling tot 1988 beseffen dat de zaken niet meer op hun beloop kunnen worden gelaten. Bush is een status quo president. Wie volgend jaar ook president wordt, zal een moeilijke taak hebben om tegelijkertijd het overheidstekort te verminderen en de omschakeling naar een vredeseconomie te begeleiden. Slimme, nieuwe beleidsplannen zijn minder belangrijk dan de gave om de kiezers te overtuigen van de noodzaak van offers.

    • Maarten Huygen