OP ZOEK NAAR EEN BESCHAVINGSMINIMUM

Die Grosse Wanderung. 33 Markierungen door H. M. Enzensberger 76 blz., Suhrkamp 1992, f 29,50 ISBN 3 518 40483 0

Als het over Duitsland gaat, is meestal de gemakzucht aan de macht: vrijwel niemand gelooft echt wat hij zegt. Iedereen spreekt somber over aanvallen op asielzoekers, over de "deportatie' van zigeuners naar Roemenië, of over de medeplichtigheid van de autoriteiten, ja, over wat eigenlijk niet. Velen zinspelen op ""de onbetrouwbaarheid van de Duitsers'', maar tegelijk is er niemand die gelooft dat het werkelijk mis gaat.

Door zoveel nadruk te leggen op ""de Duitse volksaard'' wordt de worsteling die zich in het Oosten afspeelt geweldig onderschat. Het grootste misverstand is wel dat met de hereniging van Duitsland een streep onder de Tweede Wereldoorlog zou zijn getrokken. Kurt Biedenkopf, premier van de deelstaat Saksen, schreef terecht in Die Zeit van 2 oktober jongstleden: ""De door de oude orde van het DDR-communisme veroorzaakte schade en last zijn, zoals die oude orde zelf, een gevolg van de verloren oorlog.''

Zo opgevat is de hereniging ook een vorm van herstelbetaling, die de economische en morele kracht van het nieuwe Duitsland danig op de proef stelt en vooralsnog te boven gaat. Iets vergelijkbaars geldt voor het liberale asielbeleid dat ingegeven is door de oorlogsschuld en nu bezwijkt onder de druk van de nieuwe omstandigheden. Al deze erfenissen van het verleden zijn na 1989 bijeengekomen en hebben Duitsland opnieuw diepgaand verdeeld.

In zijn recente essay, Die Grosse Wanderung, probeert Hans Magnus Enzensberger met ironische stijlmiddelen het gespannen debat over de immigratie in zijn land enigszins te ontnuchteren. Heel typerend opent zijn verhandeling met de afstandelijke blik van de metereoloog: net zoals het weer voortdurend in beweging is, kan gezegd worden dat turbulentie en verplaatsing de natuurlijke toestand van menselijke samenlevingen is.

Op een geestige manier laat hij de betrekkelijkheid van het verschijnsel immigratie zien door een parabel over de manier waarop reizigers in de trein "hun' territorium verdedigen. De "bezitter' van een coupé probeert met dodelijke blikken en uitgestalde spullen indringers te weren. Lukt dat niet en komt er toch een tweede reiziger bij, dan zullen beide in een daad van onverbiddelijke solidariteit een verbond sluiten tegen een derde reiziger die hun beider territorium wil binnendringen. Reiziger nummer twee is dan allang de behandeling vergeten die hem kort geleden nog ten deel viel en werpt al even dodelijke blikken op de nieuweling die aanspraak maakt op een plaats.

ZINLOOS

Uit deze parabel kunnen twee conclusies getrokken worden. De ene is dat vreemdelingenhaat van alle tijden en plaatsen is, een soort ""antropologische constante'', en dat het dus zinloos is om te proberen deze uit te bannen. De andere conclusie is dat degenen die eerst nog weggekeken werd heel snel geassimileerd kan zijn. Dat is het verhaal van de Italiaanse gastarbeiders, die na de komst van hun Turkse en Marokkaanse collega's al snel onzichtbaar waren als vreemdeling.

Ook weet Enzensberger heel spits twee sociale fobieën tegen elkaar uit te spelen. We horen voortdurend: ""De boot is vol''. Het is op zichzelf al gek dat uitgerekend de ingezetenen van een land zichzelf vergelijken met met opvarenden van een bootje dat zal zinken als er nog meer drenkelingen aan boord worden genomen. Maar het is nog vreemder als we tegelijkertijd horen dat volgens de demografische trends de oorspronkelijke bevolking snel vergrijst en dus terugloopt. ""De voorstelling dat op hetzelfde territorium tegelijk teveel en te weinig mensen leven, veroorzaakt dus paniek - een vorm van lijden, waarvoor ik de benaming demografische boelimie wil voorstellen'', luidt het sarcastische commentaar.

Was het verzet tegen immigranten maar een typisch Duits probleem, verzucht Enzensberger, het is natuurlijk veel algemener: ""Door grote delen van de Europese bevolking wordt het doel van integratie niet aanvaard. De meerderheid is er niet toe bereid; sterker, is er momenteel misschien zelfs niet toe in staat''. De "multiculturele samenleving' blijft een vage slogan, zolang de problemen die er door worden opgeroepen taboe zijn.

Toch ontkomt ook Enzensberger niet aan de vaststelling dat de "antropologische constanten' die hij ontwaart, in Duitsland wel een heel bijzondere lading krijgen. Hij zoekt naar een verklaring waarom in Duitsland de polemiek zo'n hoge vlucht neemt en de paniek om zich heen grijpt. Enzensberger wijt het aan de perverse omgang van de Duitsers met zichzelf: ""De reden ligt in het precaire zelfbeeld van deze natie. Het is een feit dat de Duitsers zichzelf en elkaar niet mogen. De gevoelens, die bij de Duitse vereniging aan het licht zijn gekomen, laten daarover geen twijfel toe. Wie zichzelf niet erg mag, heeft het met de liefde voor verre buren nog wat moeilijker dan anderen''.

WEERZIN

Enzensberger gelooft dat we pas aan het begin van massale volksverhuizingen staan. Oog in oog met een toenemende weerzin tegen deze mobiliteit bepleit hij een "beschavingsminimum': we zouden het toch in ieder geval eens moeten zijn dat mensen niet met geweld worden verjaagd. In de lichte toon van zijn verhandeling zijn ongemerkt bittere klanken geslopen.

Aan het slot van zijn beschouwing gaat het over de onaardvaardbare laksheid waarmee de politie optreedt tegen rechts-radicaal geweld. Enzensberger schrijft dat wanneer de staat op deze manier zijn geweldsmonopolie opgeeft, men niet vreemd moet opkijken wanneer de slachtoffers zichzelf gewapenderhand gaan verdedigen. Sterker nog, de politici die de rechts-radicalen zo begripvol bejegenen, moeten niet verwachten dat die toegeeflijkheid milder stemt. Ze zullen zelf het volgende slachtoffer zijn van de straatterreur, concludeert Enzensberger bars. En dan duikt onvermijdelijk de vergelijking met de laatste jaren van de Weimar-republiek op. De nauwelijks ingehouden woede heeft het definitief van de ironie gewonnen.

Wat is hier aan de hand? Het dreigement van Enzensberger verraadt sprakeloosheid. Verder kan men immers niet gaan in een poging om de regeerders tot verantwoording te dwingen. Het is een teken aan de wand dat een gematigde schrijver niets beters weet te verzinnen dan een beroep op het instinct tot lijfsbehoud, in de meest letterlijke zin van het woord, van een richtingloze politieke elite.

Enzensberger heeft geen "oplossingen' - wie trouwens wel? - maar doet alles om de normaliteit van zijn land te bevestigen. Ondanks zijn verzet tegen de paniekerige stemming in èn om Duitsland wordt ook hij uiteindelijk meegezogen in de draaikolk van het verleden. De metereoloog raakt verkouden van de aanhoudende depressie waarover hij bericht. Enzensbergers afstandelijke blik houdt geen stand, en zo verkeert zijn onderneming in haar tegendeel. Er hangt een merkwaardige fataliteit over het politieke debat in Duitsland.

Op 23 oktober houdt H. M. Enzensberger de Van der Leeuw-lezing in de Martinikerk te Groningen. Inlichtingen bij De Volkskrant.

    • Paul Scheffer