NEDERLAND ALS MONOPOLY-SPEL

Recent verleden. De geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw door J. J. Woltjer 568 blz., geïll., Balans 1992, f 59,50 ISBN 90 5018 152 X

Een van de grote succesverhalen van de twintigste eeuw is de ontwikkeling van Nederland tot een van de welvarendste, meest vredelievende en meest democratische landen ter wereld. Het is daardoor hier een beetje saai, maar gezien de massale toeloop van vreemdelingen op onze grenzen wordt het voordeel dat men elders grootser en meeslepender kan leven niet als doorslaggevend ervaren.

Honderd jaar geleden was Nederland ook al saai, maar omdat iedereen wegens de slechte leefomstandigheden veel eerder doodging, had men er minder last van. Op het platteland in het noorden, oosten en zuiden werd bittere armoede geleden. Hoewel de industrialisatie nog in de kinderschoenen stond, ging het fabrieksproletariaat al gebukt onder een volwassen "sociaale quaestie', de problemenkluwen van ziekte, drankzucht, depressie en beestachtige huisvesting als gevolg van uitbuiting. De meeste steden waren ernstig in verval. Zelfs de grootste maatschappijcriticus zal moeten toegeven dat er sindsdien vooruitgang is geboekt.

Toch zal een Nederlander bij het beschrijven van de downs, maar vooral van de ups in de geschiedenis van zijn land in deze eeuw niet snel in hijgerige superlatieven vervallen. Daarvoor is de "doe maar gewoon'-cultus hier te hecht verankerd; daarvoor trouwens zijn er nog steeds te veel onvervulde wensen.

Ook de (inmiddels emeritus) hoogleraar geschiedenis in Leiden, prof. dr. J. J. Woltjer, die zich met zijn Recent verleden. De geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw tot kroniekschrijver van Nederland na 1900 heeft gemaakt, kan niet worden beticht van chauvinistisch borstgetrommel. Zijn toon is afstandelijk, bedaard en helder als glas. Zijn betoog is gespeend van frivoli-teiten als anekdotes en human interest. Citaten en namen van individuen heeft hij tot een minimum beperkt, want het gaat hem om de grote lijnen, de structuren. Soms klinkt er in zijn schrijfstijl iets door van de milde tobberigheid waarmee presidenten van De Nederlandsche Bank hooggespannen verwachtingen van het volk proberen te dempen. Dat doet hij met zinnen als: ""De inflatie vormde echter een steeds groter probleem.'' Of: ""Steeds duidelijker werd dat bezuinigen behalve een politiek, vooral een bestuurlijk probleem was.''

SEKS

Niet alleen stilistisch, maar vooral in zijn onderwerpkeus is Woltjer streng en sober. De Nederlanders in zijn boek bekommeren zich slechts om hun inkomen, hun huisvesting, onderwijs, gezondheid en militaire veiligheid. Kunst en cultuur, dagelijks leven, sport, spel en amusement komen in deze spartaanse "bed-bad-brood'-versie van de geschiedenis niet voor. Seksualiteit merkwaardig genoeg weer wèl, al heeft de auteur weinig oog voor de genoeglijke kanten ervan. Aan seks voor het huwelijk, de introductie van "de pil' en de groei van het aantal seks-shops wijdt de hoogleraar precies één bladzijde. Verder is seks in Recent verleden een "probleem' (dat woord komt bij Woltjer erg veel voor) dat de overheid telkens voor nieuwe zorgen en uitgaven plaatst. Seks kan leiden tot abortus (regelgeving), vaker nog tot bevolkingsgroei (woningbouw, onderwijs en werkgelegenheid), en uiteindelijk weer tot euthanasie (regelgeving).

Want dàt is het centrale thema in Woltjers boek: de met de tijd groeiende invloed van de staat - en daarmee van de politiek - op de pogingen van de bevolking om in haar essentiële behoeften te voorzien. Vandaar dat Woltjer veel aandacht schenkt aan groei, bloei en (soms) verval van de politieke partijen. Gezien deze inhoudelijke toespitsing van het boek had Recent verleden beter een ondertitel in de trant van De politieke en sociaal-economische geschiedenis van Nederland kunnen dragen.

Toch zou een andere ondertitel niet de onduidelijkheid kunnen wegnemen die er om het karakter van dit werk hangt. De vraag die knaagt, luidt simpelweg: Wat Wilde Woltjer? Een panoramische, veelomvattende geschiedenis van Nederland in een bepaalde epoche schrijven, lijkt het. Juist omwille van de stoutmoedigheid van deze ambitie verdient Recent verleden aandacht en, tot op zekere hoogte, ook bewondering.

Woltjers sterke punt is dat hij uiterst compact en begrijpelijk ingewikkelde deelkwesties kan uitleggen. Wie bijvoorbeeld zonder omhaal van woorden voorgeschoteld wil krijgen waarom de Publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties zijn ontstaan of hoe de "vierhonderd-gulden-loongolf' van 1970 is gaan rollen, kan bij Woltjer terecht. Uit de laconieke Woltjer-aanpak viste ik het fascinerende detail dat de overheid ten tijde van de grote woningnood in de jaren vijftig de woningbouw juist afremde om inflatie door exploderende lonen in de bouw te voorkomen. Maar wat onhelder blijft, is de invalshoek van waaruit hij dit boek heeft bedacht en geschreven.

De auteur heeft het niet gedaan omdat hij nieuwe feiten kan aandragen. Hij heeft er ook niet naar gezocht, getuige zijn bronnenlijst, die uitsluitend al gepubliceerd materiaal bevat. Een nieuwe visie op basis van de bekende feiten heeft hij ook niet. Het is interessant om in zijn boek de groei van de staat tot machtige manus-van-alles te volgen, maar in de nadagen van de Sovjet-Unie is her en der al betoogd dat het economische succes van de noordwesteuropese democratieën berust op de subtiele wisselwerking tussen staat en particulier initiatief.

GELDHANDEL

Een panoramisch boek zonder nieuwe feiten of nieuwe visie kan echter wel degelijk een nuttige functie vervullen, namelijk door zijn bruikbaarheid als standaardwerk. Vanuit dat mogelijke doel bezien, heeft Recent verleden een handicap. Niet zozeer omdat het niet volledig is als wel omdat de auteur niet aangeeft hoe en waarom hij de grenzen om de inhoud van zijn boek heeft getrokken.

In zijn "Woord vooraf' zegt Woltjer alleen dat hij zijn geesteskind als een leesboek en niet als een naslagwerk heeft bedoeld. Verder waarschuwt hij dat "sommige onderwerpen' onbesproken zullen blijven. De lezer wordt er niet op voorbereid dat "sommige onderwerpen' nu juist alle onderwerpen zijn die het leven een beetje plezierig en gevarieerd en onvoorspelbaar maken. Door deze onuitgesproken beperking krijgt Woltjers boek onbedoeld een soort marxistisch schijnrationalisme: het rad der historie draait alleen maar doordat de oogst mislukt of de betalingsbalans verandert of de Marshallhulp afloopt.

Het duidelijkst zien we de nadelen van deze beperking in het deel met de titel ""Van de loonexplosie tot de oliecrisis. De roerige jaren zestig''. Dat deel krijgt van Woltjer een algemene inleiding mee, die uitmondt in een beschouwing over de onrustige valutamarkt als gevolg van de onzekere waarde van de dollar! Wie nu een essayistisch hoogstandje verwacht waarin Woltjer op onnavolgbare wijze het ontstaan van Provo verklaart uit de instabiele geldhandel, komt bedrogen uit. Wel wijdt hij enige bladzijden aan de generatiekloof en de mentaliteitsveranderingen in de jaren zestig, maar dit gedeelte blijft in zijn boek een wonderlijk eiland van menselijkheid in een oceaan van materialistische wetmatigheden. Ineens komen de pionnen op Woltjers sociaal-economische schaakbord tot leven: de naam van Roel van Duyn duikt zowaar op, een eer die voordien slechts figuren als Willem Drees en Soekarno te beurt valt. Maar doordat deze passages geen wortels hebben in het voorafgaande, overtuigen ze niet.

STRATEGO

Ook elders blijkt dat Woltjer met de factor "mens' niet overweg kan. Zo doet hij de Tweede Wereldoorlog af in dertien bladzijden: de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd daarentegen krijgt van hem vierenzestig bladzijden. Mij dunkt dat de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor het verloop van de Nederlandse geschiedenis aanzienlijk ingrijpender zijn geweest dan de losmaking van ""ons Indië''. Desondanks zijn de bladzijden die Woltjer aan de oorlog wijdt, vlak en plichtmatig. De tragedie van de uitroeiing van de joden wordt door hem afgehandeld in één zin; voor de organisatie van de distributie heeft hij nog een hele bladzij uitgetrokken. Volgens mij is de naoorlogse geschiedenis van Nederland niet te begrijpen als het nationale trauma van de jodenvervolging er niet bij wordt betrokken. Daardoor had ik bij het lezen van Recent verleden een groeiend gevoel van vervreemding: dit is niet Nederland, maar een door Woltjer uitgevonden combinatie van het Monopoly- en Strategospel dat onder de naam "Nederland' in de handel is gebracht.

Daarmee is Woltjers boek niet waardeloos. Het is, zoals gezegd, voor een groot aantal deelonderwerpen een handig naslagwerk. Als ""grote greep'' daarentegen is het een gemiste kans. Woltjer had een co-auteur moeten zoeken die van de schommelingen van de valutamarkt niets afwist, maar die wel thuis was in de sector ""vlees en bloed''. Woltjer wil de geschiedenis van structuren beschrijven, maar geschiedschrijving zonder mensen erin werkt niet. Had hij ten minste nog maar de stelling geponeerd dat zonder seksualiteit de overheid aanmerkelijk goedkoper uit was, dan hadden we in elk geval nog een keer kunnen lachen.