Monografie en overzichtstentoonstelling over de ontwerper van de stuwende massa; De architectonische lustbeleving van Kromhout

Tentoonstelling: Architect Willem Kromhout (1864-1940), t/m 8 nov. in het Nederlands Architectuur Instituut, Westersingel 10, Rotterdam. Boek door Ida Jager, Uitg. 010, ƒ 69,50.

De Beurs van Berlage op het Damrak boezemt ontzag in, maar het Hotel Americain van Willem Kromhout aan het Leidseplein doet het hart opspringen. Zo solide en frivool tegelijk, monumentaal maar met de luchtigheid van een grillige rookpluim. Het rationalisme van Berlage had Kromhout niet, zijn credo was: “Een Bouwmeester moet vóór alles artist zijn, dat is: gevoelsmensch”.

Aan leven en werk van Kromhout, die begin deze eeuw samen met Berlage en De Bazel de heilige drieëenheid van de Nederlandse architectuur vormde, wijdt het Nederlandse Architectuur Instituut een groot overzicht. Aanleiding is het verschijnen bij Uitgeverij 010 van een monografie van Kromhout door kunsthistorica en journalist Ida Jager. Het boek is helder en mooi vormgegeven zoals we van Uitgeverij 010 gewend zijn; de ware verrassing is de tekst van Jager, die laat zien dat het mogelijk is om leesbaar èn met diepgang over architectuur te schrijven. Om de persoon Kromhout weer tot leven te wekken voert ze een gefingeerd interview met hem en sluit af met een "ronde tafel-gesprek' met tijdgenoten.

De tentoonstelling is een mooie samensmelting van vorm en inhoud. In een fin de siècle-cocon van karmijnrood en goud wordt een groot aantal van Kromhouts beeldschone tekeningen en aquarellen gepresenteerd, samen met enkele van zijn meubels en een originele lamp voor Americain. In een ovaal kabinet wordt aan de hand van tekeningen, foto's en korte teksten een biografische schets gegeven; na een doorwrocht diaprogramma volgt een thematische presentatie van zijn omvangrijke oeuvre.

Kromhout heeft veel gebouwd - woonhuizen, ziekenhuizen, kantoren, zelfs de straatversiering voor de Amsterdamse binnenstad bij de inhuldiging van Wilhelmina in 1898 - maar ook veel ontworpen dat nooit is uitgevoerd, zoals een stadhuis voor Rotterdam en een Vredespaleis. De verschillende plannen die hij voor de Dam maakten hebben evenmin tot iets geleid.

Maar die tekeningen! Kromhout tekende gebouwen als lyrische visioenen in tere kleuren, met zijn voorliefde voor oosterse motieven als koepels zijn het soms net architectonische sprookjes uit Duizend-en-een-nacht. Hij was dan ook nooit zonder schetsboek. Een van de beelden in het diaprogramma laat een bladzij zien die tot in de hoek is volgekrabbeld met variaties op een van zijn favoriete thema's, de toren, "het opperste symbool van de architectuur dat het dichtst het eeuwigheidsstreven benadert'.

Kromhout begon in 1890 een eigen bureau in Amsterdam, maar hij richtte zich eerst nog voornamelijk op het lesgeven, publiceren en het beschermen van het beroep. Als lid en later voorzitter van de vereniging Architectura et Amicitia (A et A) spande hij zich in voor het verbeteren van de opleiding en voerde hij strijd tegen de beunhazerij, initiatieven die later zouden uitmonden in de oprichting van Academies van Bouwkunst en de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). In 1925 bepleitte hij ook de oprichting van een architectuurmuseum.

Evenals Berlage en De Bazel riep Kromhout zijn vakgenoten op historiserende neo-stijlen van zich af te schudden. In 1891, toen hij pas 27 was, hield Kromhout voor A et A hierover een felle lezing onder de titel Tout à l'Egout, "Alles naar het riool'. Maar met zijn brede historische vormenkennis en diepgewortelde hang naar decoratie kon hij zelf ook nog geen afstand nemen van het verleden. Dat bleek bijvoorbeeld in 1908-10 toen hij het Nederlandse paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Brussel ontwierp. Zijn eerste twee voorstellen werden afgekeurd, waaronder een soort Byzantijnse moskee, en tenslotte maakte hij in arren moede een nostalgisch gebouwtje in oud-Hollandse stijl. Hem werd dan ook "architectonische lustbeleving' verweten. Ook Berlage, die als jurylid vaak zijn prijsvraagontwerpen kreeg voorgelegd, had zijn twijfels over de verhouding tussen decoratie en structuur in het werk van Kromhout.

In 1910 verhuisde Kromhout naar Rotterdam, waar hij docent werd en aan een aantal belangrijke prijsvragen deelnam. Misschien zag hij dit ook als een frisse start: over Amsterdam lag de schaduw van Americain, zijn eerste grote opdracht en daarmee een nagel aan zijn doodskist. De rest van zijn loopbaan lang heeft hij moeten concurerren tegen deze hors d'oeuvre dat chef d'oeuvre was geworden. Ondanks teleurstellingen - de opdracht voor het stadhuis ging naar een ander - heeft hij in Rotterdam het grootste deel van zijn oeuvre gerealiseerd. Hij kreeg er opdrachten van Heineken voor vier gebouwen en van kunstminnende reders zoals Goudriaan van de Scheepvaartvereeniging-Zuid voor een kantoor en het woonhuis Ypenhof. Helaas zijn veel van de gebouwen die het tegen Americain hadden kunnen opnemen, in het bombardement of later door sloop verloren gegaan.

Zijn stijl veranderde, het decoratieve maakte plaats voor wat hij zelf noemde het "boetseren van de kubieke massa'. In het gebouw van Scheepvaartvereeniging-Zuid valt het stuwende, massieve van zijn werk uit die tijd prachtig samen met de scheepsmotieven die hij zich uit zijn jeugd herinnerde. Als jongetje van tien had hij de lange reis van Indië naar Nederland afgelegd, en de machtige schepen die hij onderweg zag, hadden een onuitwisbare indruk gemaakt.

In de jaren dertig schoof Kromhout op in de richting van de Nieuwe Zakelijkheid, hoewel hij zelf fulmineerde tegen "de glaswaan' en "het nuchtere dat het detail doodt'. Het gloedvolle van zijn vroege decoratieve werk is verdwenen - of steekt het alleen wat bleekjes af bij zijn "krokante' tekenstijl van omstreeks de eeuwwisseling? Het heeft iets wrangs dat hij toen pas, in 1933, een cruise naar Istanboel maakte en voor het eerst in levende lijve de koepels en torens aanschouwde die het fundament van zijn vroege werk waren geweest. Hij werd vast met weemoed vervuld bij het zien van zo veel "opperste symbolen van eeuwigheidsstreven'.

    • Tracy Metz