Moeilijke strijd vrouwen voor vakbondsrechten in Afrika en Latijns Amerika; Congres vakbondswerk Derde Wereld

Vrouwelijke vakbondsleiders uit de Derde Wereld zijn deze dagen in Nederland in het kader van de actie "Kom over' van het Christelijk Nationaal Vakverbond. Op een congres in Utrecht doen ze vandaag uit de doeken welke problemen ze tegenkomen.

DOORN, 17 OKT. Eén ding hebben veel vrouwelijke vakbondsleiders uit de Derde Wereld met elkaar gemeen; ze hebben één- of meermalen in de gevangenis gezeten. Soms enkele dagen, soms enkele weken en vaak zonder eten of drinken. Onder constante dreiging. “Ze zeiden: Als jullie de confederatie nu niet stopzetten, zullen we jullie martelen en daarna vermoorden.”

Rose Marie Oussoué uit Ivoorkust, gelegen aan de westkust van Afrika, werd in 1990 gearresteerd. Haar misdaad was dat ze voorop liep bij een betoging tegen de regering die de salarissen wilde korten. In haar hand hield ze een spandoek met daarop leuzen geschilderd. Met dertig mededemonstranten werd ze in het gevang gezet. Ze zat twee weken in een cel en werd regelmatig met de dood of martelingen bedreigd. Door tussenkomst van het Wereldverbond van de Arbeid (WVA) - een wereldwijde organisatie waarbij veel vakverenigingen zijn aangesloten - kwam ze vrij.

Maria Chireno uit de Dominicaanse Republiek doet er wat laconiek over. In 1975 werd ze voor het eerst wegens vakbondsactiviteiten gearresteerd. Daarna is ze nog “verscheidene keren” door de geheime politie vastgezet. De eerste keer was ze op weg naar de binnenlanden, toen de politie een tijdschrift van de Dominicaanse vakcentrale in haar tas vond met daarin foto's van politie-agenten die studenten molesteerden. Reden genoeg om Maria en haar man voor enkele dagen op te bergen. “Het ergste was dat niemand wist dat we waren opgepakt.”

Vergeleken met de verhalen uit Afrika en Latijns-Amerika is het relaas van Marcella Rajahmoney uit Sri Lanka optimistisch. In een gevangenis heeft de president van het National Workers Congres nog nooit gezeten. De verhouding met de regering noemt ze redelijk, van de overige vakbonden krijgt ze vaak waardering en door de werkgevers wordt ze aangehoord. Dat is volgens haar te danken aan het relatief lange bestaan van vakbonden in Sri Lanka en de democratisering. “India moest de onafhankelijkheid bevechten, wij kregen haar zo op ons bord. Vervolgens konden vakverenigingen sneller opstaan en werd ze nauwelijks iets in de weg gelegd”, zegt Rajahmoney.

Ze vervolgt: ,Afrika en Latijns-Amerika hebben nauwelijks een historie als het om vakbondswerk gaat. Daar praten ze nog over onafhankelijk van de regering werken en vrijheid voor de arbeiders. In Sri Lanka hebben we deze zaken al bevochten.''

Oussoué, voorzitter van de Nationale Vakbond van Vrouwen in de Informele Sector, is afkomstig van zo'n jonge vakbond. In 1987 richtte een groep intellectuelen "Dignité' op, een vakvereniging die tot 1990 in het geheim moest werken. In Ivoorkust was maar één vakbond toegestaan en die was gelieerd aan de regering. Verplicht lidmaatschap gold voor de hele beroepsbevolking. Eind 1990 zag de regering zich genoodzaakt de legalisering van Dignité toe te staan. De bond heeft inmiddels 100.000 leden en richt zich vooral op de "informele sector'. Daaronder vallen marktvrouwen, thuiswerkers en werknemers in de landbouwsector. Oussoué benadrukt vooral de onafhankelijkheid van de vakbond.

Haar collega Chireno is voorzitter van CLAMT, de Latijns Amerikaanse Commissie van Werkende Vrouwen. Haar carrière begon bij het vakverbond voor werknemers in de suikerindustrie, waar twee broers van Chireno eerder actief waren. Een aantal vakbonden in Latijns Amerika kent al een onafhankelijke positie, maar dat houdt volgens Chireno niet in dat alles geregeld is. “In de Dominicaanse Republiek is een wet waarin staat dat werkgevers vrouwen die in verwachting zijn, zwangerschapsverlof moet geven. Dus moeten de vrouwelijke werknemers iedere drie maanden een brief van de dokter overleggen dat ze niet zwanger zijn. Zijn ze wel in verwachting, dan kunnen ze vertrekken. Al voert de werkgever andere redenen aan dan de zwangerschap”, aldus Chireno.

Rajahmoney heft haar handen ten hemel. “Ik dank God dat ik in Sri Lanka ben geboren.” Wensen voor de toekomst van de vakbeweging in Sri Lanka heeft ze dan ook nauwelijks. “Wij klagen niet zo gauw.”

Toch heerst over één onderdeel van de Sri Lankese economie ontevredenheid: de vrijhandelszones. In deze gebieden, waarvan Sri Lanka er drie kent, kunnen Westerse ondernemingen fabrieken neerzetten en profiteren van de lage lonen. Alle artikelen die er worden geproduceerd zijn bedoeld voor de export.

“In deze sector werken 50.000 mensen, hoofdzakelijk vrouwen tussen de 18 en 35 jaar. Ze werken mijlenver van huis en leven in zogenaamde kosthuizen, vaak onder mensonterende omstandigheden. In deze vrijhandelszone bestaan goede arbeidswetten alleen op papier. Vakbonden worden er niet getolereerd. Het enige concrete dat we op dit moment doen, is de meisjes opvangen, ze een goed bad en genoeg te eten geven en ze voorbereiden op een volgende turbulente dag.”

    • Yaël Vinckx