Liberaal tussen de christenen; Het moeizame leerproces van mr.drs. L.C. Brinkman

Mr.drs. L.C. Brinkman heeft deze week van zich doen spreken. De fractieleider van het CDA weerde zich tijdens de Algemene Beschouwingen met zijn suggestie om de sociale dienstplicht in te voeren. De suggestie werd door de christen-democratische leidsman, minister-president Lubbers, vriendelijk afgewezen. Een beetje in het stof bijten kan geen kwaad voor Lubbers' beoogde opvolger.

Vlak buiten de gemeentegrens van Hardinxveld-Giessendam, even voorbij het museum de Koperen Knop, duiken ze voor het eerst op. De borden die langs de kant van de weg zijn geplaatst als protest tegen de komst van de Betuwespoorlijn naar de Alblasserwaard, tonen soms grimmige teksten. Na een paar bochten, voor een eengezinswoning, staat te lezen: ""Brinkman met zijn arrogante stappen, probeert de polder aan zijn laars te lappen. Als hij van het Catshuis wil gaan dromen, moet hij met een ander plan komen.''

In de polder, de plek waar Elco Brinkman zijn jeugd doorbracht en waar hij zich nog altijd graag voor een televisiereportage laat filmen, vertrouwt men de fractieleider van het CDA niet helemaal. Kan de gemeenschap op hem rekenen in de strijd tegen een nieuw produkt van de moderne tijd, of is dat slecht voor zijn carrière? Het antwoord uit Den Haag stemt tot onzekerheid: de CDA-fractie en haar voorzitter hebben hun definitieve standpunt over de Betuwe-spoorlijn nog niet bepaald.

Ook zijn beste jeugdvrienden weten soms niet helemaal wat ze aan Brinkman hebben. Ze hebben hem twee keer tegen hemzelf gewaarschuwd. Hoewel Evert van Lopik, beeldend kunstenaar in Hardinxveld, het vaak hartgrondig met Elco eens is greep hij in 1982 verbaasd naar de pen. Hij had gehoord dat Brinkman als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ervoor had gepleit alleen de beste kunst van staatswege te subsidiëren. Was dat niet een geringschatting van kunstenaars die geen "topkunst' - alleen van het woord al gruwde Van Lopik - leverden, maar wel mooie dingen maakten voor de gemeenschap?

Jan Flach, tegenwoordig arts elders in het land, was over iets anders gevallen. Het gedoe van Brinkman met een zender-microfoontje en het pseudo-ontspannen loopje over het podium, een paar maanden geleden op een CDA-partijraad, had Flach maar raar gevonden. ""Zo'n zaal bespelen, da's toch niks voor jou'', had hij later tegen zijn vriend gezegd.

Niet alleen jeugdvrienden ruiken onraad. Prof.mr. J. Leijten, advocaat-generaal bij de Hoge Raad en zelf een naar de PvdA doorgebroken katholiek, schrijft in zijn recente bundel beschouwingen De verschrikkelijke eenzaamheid van de inbreker over Brinkman: ""Al het arrogante en bekrompene dat ARP-politici van voorheen kenmerkt vind ik bij hem terug en al het leuke en zichzelf overstijgende dat dat soort mensen eigen is, ontbreekt bij hem.''

Nieuw type leider

Brinkman is dan ook geen ARP-politicus. Een christen-democraat zoals Lubbers, Van Agt en Biesheuvel is hij evenmin. Hun weg naar de top liep grotendeels via de christelijke zuil, hun instinct en werkwijze werden gekneed in organisaties als katholieke jonge werkgeversvereniging, christelijke boeren- en tuindersbond of katholieke universiteit.

Met Brinkman komt, als de voortekenen niet bedriegen, een nieuw type leider aan de macht in de christen-democratie. Zijn weg omhoog liep niet langs christelijke organisaties maar langs personen zoals Hans Wiegel en Ruud Lubbers, die hem twee keer als zijn opvolger voor het lijsttrekkerschap aanwees, en hemzelf. The making of Brinkman deed Brinkman voornamelijk zelf.

Zijn denkbeelden zijn eerder die van een burgerlijk-liberaal dan die van een christen-democraat. Premier Lubbers maakt, heel soms, de traditionele christen-democratische uitgangspunten nog zichtbaar, bijvoorbeeld met zijn pleidooi voor subsidiariteit in de verhouding tussen Europa en de nationale staten. Brinkmans standpunten ademen echter de algemene, burgerlijke waarheden waarmee hij in de Alblasserwaard opgroeide zoals "zelf de broek ophouden', zorgzaamheid en spaarzin. Zijn mogelijk leiderschap zal de ontwikkeling van het CDA in de richting van een burgerlijke middenpartij bezegelen.

De gereformeerde burgemeesterszoon was geen lid van de Arjos, de jongerenvereniging van de ARP waar zoveel gereformeerde politici hun politieke loopbaan begonnen. Elco stort zich thuis en op school liever op de gemeentebegroting van Hardinxveld, zijn woonplaats, of discussieert met schoolvrienden over beschouwelijke en bestuurlijke zaken.

De gesprekken thuis wekken zijn interesse in de werking van bestuur en gezag. Elco's vader, een geliefd man in Hardinxveld, onderwijst hem in de werking van autoriteit. Behalve geloofwaardig bestuur zijn daarvoor gepoetste manchetknopen en andere uitingen van een goede stijl van groot belang, zo leert Elco. Eenmaal zelf een autoriteit zal hij er onberispelijk uitzien.

Zijn schooljaren staan in het teken van de creatie van het leiderschap, minder in dat van opvoeding in de rechte leer, zoals dat bijvoorbeeld op de Jezuïeten-school van Lubbers het geval was. Elco's notabele achtergrond en zijn karakter geven hem de uitstraling van een natuurlijk leider. Zonder haantje de voorste te zijn wordt hij voorzitter van schoolclub de IJsbreker. Voor het uitpraten van de problemen met de scheikunde-leraar vaardigt de klas Elco af.

Het afstemmen van zijn ambities op zijn capaciteiten kost hem soms enige moeite. Als hij voor de tweede keer de vijfde klas heeft gedaan, probeert hij via het staatsexamen het verloren jaar in te halen. Hij zakt. Dat hij als accordeon-speler ook niet zal slagen, zoals al eerder op een talentenjacht is gebleken, geldt als een minder grote tegenslag.

Brinkmans studentenjaren leveren evenmin materiaal op waaruit enige gehechtheid aan christen-democratische beginselen of organisaties naar voren treedt. Als de jonge politicoloog en bestuurskundige al politieke activiteiten onderneemt, zijn die liberaal van aard. Zo meldt hij zich in 1969 met een aantal vrienden aan bij de Amsterdamse afdeling van de Jongeren Vereniging voor Vrijheid en Democratie. Brinkman verblijft er meer dan een jaar.

Hij schrijft in het afdelingsblad Joli (Jonge Liberaal) onder meer een verhandeling over de Gemeentewet van Thorbecke. Het artikel bevat een hartstochtelijk pleidooi tegen het gekozen burgemeesterschap wegens ""de steeds groter wordende eis van technische kennis en bestuurskundigheid''. Bijna een kwart eeuw later denkt Brinkman daar anders over. De huidige procedure rond burgemeestersbenoemingen heeft geleid tot ""het grijze ambtsgewaad dat de kleurloze weergave is van het gebrek aan beslisruimte'', aldus Brinkman nog deze week in Rotterdam. Een gekozen burgemeesterschap zou dat kunnen verbeteren.

Haarkloverijen

In 1973 verschijnt de christen-democratie in het leven van Brinkman. Laatst vond hij er op zolder nog brieven over: zijn lidmaatschap van de ARP, de partij van zijn vader. Hij bladerde de stukken met verbazing door, wist niet eens dat hij ze nog had. Zijn ARP-tijd had hij een beetje verdrongen; het was immers de tijd van de vorming van het CDA, de periode van haarkloverijen in de ARP over het christelijke karakter van de nieuwe christen-democratische partij. Het conflictueuze in de gereformeerde traditie heeft hem altijd afgestoten en later, als fractievoorzitter, zal hij zich dan ook verre houden van het gekibbel over het christelijk gehalte van de partij waarin KVP, ARP en CHU zijn opgegaan.

Pas in 1980, als de grootste conflicten gestreden zijn, meldt Brinkman zich als direct lid bij het CDA. De bestuurskundige heeft dan een snelle carrière gemaakt bij het departement van binnenlandse zaken waar zijn politieke baas en voorbeeld Hans Wiegel de 31-jarige ambtenaar tot loco-secretaris-generaal benoemt. Wiegel toont zich onder de indruk van de snelle analyses en grote besluitvaardigheid van zijn topambtenaar. Brinkman is onder de indruk van zichzelf. Als Wiegel hem vraagt wat hij verder in het leven wil bereiken zegt hij: ""Nou, op jouw stoel zitten.''

Ondanks zijn keuze voor het CDA zal Brinkman sterk liberale trekken houden. Niet alleen zijn aandacht voor de politietaken van de klassieke rechtsstaat getuigen daarvan. Regelmatig zal hij een appel doen op het gezonde volksgevoel. ""Een trap onder de kont kan soms heilzamer werken dan het zoeken naar allerlei oorzaken'' zegt hij in 1988. Als minister van WVC bezuinigt hij meer dan christen-democraten lief is op buurtwerk en gezinszorg.

Met steun van Wiegel maar ook op grond van eigen grote bestuurlijke verdiensten krijgt Brinkman in 1982 een plaats in het eerste kabinet-Lubbers. Daar blijkt al snel welk risico het CDA heeft genomen door Brinkman de Ongebondene minister van WVC te maken. Als een der weinige CDA-politici die niet uit het zogeheten middenveld afkomstig zijn, kan hij zich onafhankelijk opstellen tegenover de welzijnsorganisaties. Dit maakt hem in de Tweede Kamer meer geliefd bij de VVD dan bij CDA of PvdA, die juist vele bindingen met de koepels onderhouden.

Als zich in 1983 een kans aandient om de politiek onervaren minister onderuit te halen staan parlementariërs van PvdA en CDA dan ook vooraan. Zij wassen het zondagskind in de politiek de oren over diens pleidooi voor een deeltijd-Kamerlidmaatschap. Kamerleden hebben volgens hem een te beperkt beeld van de maatschappelijke werkelijkheid. ""Een Kamerlid denkt vaak dat-ie maar een motie hoeft te laten aannemen en dat het dan ineens allemaal anders is in Nederland. Zo van: motie 34 is aangenomen en dat was dat'', zegt hij in Vrij Nederland.

De minister geeft in de Kamer toe zich al te kras te hebben uitgedrukt. Maar de stijl van koning Willem I die per koninklijk decreet regeerde, zal hij nooit helemaal kunnen afschudden en zijn plagerige (""De Kamer zegt het maar'') en afstandelijke houding tegenover het politieke bedrijf vertoont gelijkenis met het optreden van oud-premier Van Agt.

Hoge prijs

Met minder vaart en na veel duw- en trekwerk lukt het Brinkman in het midden van de jaren tachtig de verantwoordelijkheid voor welzijn en geluk te decentraliseren naar de gemeentes. Maar hij betaalt een hoge prijs voor zijn mislukte aanpak van een ander middenveld, de omroepen. Deze gelden voor hem als hèt voorbeeld van inefficiëntie en geldverspilling. Zijn pogingen om daar verandering in te brengen worden door de CDA-fractie en de Hilversumse lobby bekwaam gedwarsboomd.

Brinkmans onvermogen iets aan de gevestigde verhoudingen te doen en TROS en Veronica uit het publieke bestel te drijven, is groot. ""Kul'', kalkt de bewindsman nijdig in de kantlijn van tegenvoorstellen uit het Gooi, en ""Dat nooit!'' Hij komt echter niet verder dan een besparing van enkele tientallen miljoenen door verzelfstandiging van het faciliteitenbedrijf (NOB).

Ook later, als fractievoorzitter, zal Brinkman enig wantrouwen tegenover gevestigde maatschappelijke organisaties blijven koesteren. Onlangs nog ging hij tot afgrijzen van het NCW en CNV akkoord met een parlementair onderzoek naar de instellingen die zich bezighouden met de uitvoering van de sociale zekerheid. En nu verschilt hij met een deel van zijn eigen fractie van mening over de vraag hoeveel macht de onderwijskoepels moeten inleveren.

Met zijn dadendrang en loyaal bezuinigingsbeleid geldt Brinkman als een van de opvallendste leden van het kabinet. Uit opinie-onderzoeken blijkt dat de minister goed aanslaat bij CDA-leden, die nooit lid zijn geweest van de drie partijen waaruit dat CDA is voortgekomen. Samen met minister Ruding scoort hij ook hoog bij de zwevende kiezers die twijfelen tussen D66 en CDA èn bij ouders met kinderen in de betere buurten.

De campagne-strategen van de partij die zijn optredens regelen hebben een goede leerling aan de minister van WVC. Hij leert snel zijn neiging af om recht in de televisie-camera te kijken wat de indruk heeft dat hij het volk paternalistisch wil toespreken. Ook zijn toevoeging "Ik als minister' leert hij inslikken.

Door zijn succes bij de kiezers en zijn voortvarend bestuurlijk optreden komen de geruchten over een minister-presidentschap op gang. Hij heeft wel eens gedroomd van een burgemeesterschap, van een grote plaats zoals Rotterdam. Maar waarom geen burgemeesterschap van heel Nederland? Dan kan hij uit de nationale ambtswoning het land naar een nieuw collectief doel leiden. Zo fantaseert hij wel eens hardop over een nieuwe inpoldering van de Nederlandse wateren.

Brinkman realiseert zich dat voor een succesvolle kandidatuur meer nodig is dan loyaal bezuinigen en het reorganiseren van rijkstaken - dat maakt hem te weinig zichtbaar voor de gehele CDA-achterban. Ook zijn geloofsgenoten vertrouwen hem nog steeds niet allemaal. Secretaris-generaal Hans de Boer, oud-minister van CRM voor de ARP, ziet de moderne aanpak van Brinkman gesymboliseerd in een schilderij dat deze op zijn kamer heeft laten ophangen. Casanova s'associe avec la morale (1975) van Constant toont op de voorgrond een monumentale fallus. Met het schilderij wil Brinkman discussie uitlokken, maar dat lukt nauwelijks. Lang niet elke bezoeker herkent het geslachtsdeel, men houdt er geen rekening mee dat hij zo'n keuze zou doen.

PC Hooftprijs

Het besluit van de minister van WVC in 1985 om de PC Hooftprijs niet toe te kennen aan Hugo Brandt Corstius, omdat deze het ""kwetsen tot instrument'' zou hebben gemaakt, doorbrak voor het eerst Brinkmans imago van gevoelloos bestuurder. Het besluit veroorzaakt ontzetting in de Amsterdamse grachtengordel, maar oogst grote instemming van veel partij-afdelingen.

Toch ziet het er in 1986 even niet naar uit dat Brinkman in een volgend kabinet zal terugkeren. Lubbers doet vaag. Zijn politieke vrienden geven hem ook geen zekerheid. Als een eindexamenkandidaat zit de minister op zijn kamer in Rijswijk de uitkomst van de formatiebesprekingen af te wachten. Achteraf blijkt het allemaal een spelletje te zijn geweest. Lubbers heeft Brinkman vooraf geen zekerheid willen verschaffen over diens politieke toekomst. Dat zou niet alleen de handen van de formateur binden, maar in de ogen van de premier ook een verkeerde uitwerking hebben op het ego van de minister.

Spelletjes of niet, de gang van zaken alarmeert Brinkman. Kennelijk is hij nog geen onvermijdelijke keus voor de christen-democraten. Hij neemt zich voor zijn tweede periode als minister te gebruiken om vaste voet in de partij te krijgen, hij zal proberen christen-democraat te worden.

Vlak na de verkiezingen, al in oktober 1986, zoekt hij aansluiting bij de ideologische discussies in de partij. In het betoog over de zorgzame samenleving dat hij als inleiding bij de behandeling van de Welzijnswet in de Tweede Kamer houdt, bouwt hij voort op de waarden uit zijn jeugd: gemeenschapszin, zorgzaamheid en verantwoordelijkheidsbesef.

De meerderheid van de Tweede Kamer is daar niet van gediend. Riekt dit niet naar polderpraat? Het CDA-Kamerlid Kraaijeveld-Wouters, al eerder Brinkmans tegenspeelster, vindt het allemaal wat veel van het goede. Ze noemt het verhaal over de zorgzame samenleving betuttelend en vreest dat het kan worden uitgelegd als opportunistische rechtvaardiging van op stapel staande bezuinigingen. Later zal Brinkman genuanceerder gaan spreken over de verantwoordelijke samenleving.

Toch zal hij moeite blijven houden met het vinden van de juiste maat. Zijn suggestie deze week om de sociale dienstplicht in te voeren lijdt ook aan dit euvel. Bij een algemene dienstplicht voor jongens en meisjes zou het beroep op deugdzaamheid juist kunnen leiden tot het tegendeel: ongemotiveerdheid, aldus premier Lubbers, die het voorstel van zijn kroonpins vriendelijk maar beslist van de hand wijst.

Wafelbakker

Brinkman wordt nooit een volbloed christen-democraat. Daarvoor handelt hij te zeer naar een tekst uit het evangelie van Marcus: ""Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.'' Als bewindsman blijft hij zijn beleid zakelijk, niet-ideologisch benaderen. Er sluipt wel meer christen-democratisch gevoel in zijn speeches, maar hij kan het niet laten zich als gezond-verstand liberaal te blijven manifesteren. Zo eist het CDA in 1987 van hem een correctie van zijn uitlatingen in een interview over het asielbeleid. Hij wil aan dat beleid grenzen stellen, want ""niet iedereen kan als Vietnamese wafelbakker bestaan''.

Intussen zijn grand old men van de christen-democratie, zoals de oud-bewindslieden Schmelzer en De Koning, zich aan het beraden op de opvolging van Lubbers. De premier heeft te kennen gegeven nog één termijn te willen dienen. Met de opvolgingskwestie mag Lubbers zich niet te veel bemoeien; succesvolle leiders hebben de neiging met de opvolgingskwestie vernielzuchtig om te gaan, heeft de geschiedenis met Wiegel en Den Uyl geleerd.

Brinkman is niet de enige kandidaat. Schmelzer roemt de sociaal-economische kennis van Ruding. Brinkman is op financieel en buitenlands-politiek gebied een vreemdeling en daarom wil Schmelzer zijn protégé Hans van den Broek ook niet uitsluiten als kandidaat-opvolger. De Koning ziet echter meer in Brinkman met wie, na een jarenlange katholieke dominantie, weer eens een protestant in het Catshuis zou aantreden. De nadruk van Brinkman op deugdzaamheid en hard werken biedt een goede basis voor versterking van de arbeidsethiek die Nederland in de jaren negentig nodig zal hebben, oordeelt de oud-minister van sociale zaken en werkgelegenheid.

De discussies eindigen onbeslist. Het plan rijst om de drie kandidaten tijdens Lubbers' laatste rit te laten concurreren: Ruding zal zijn imago verbreden door naar Buitenlandse Zaken over te stappen, Van den Broek zal hetzelfde doen door naar Justitie te gaan. Brinkman bezit van de drie het best ontwikkelde parlementaire gevoel, hij zal de Tweede-Kamerfractie moeten gaan leiden. De opzet mislukt door de weigering van Van den Broek - wiens kans op het premierschap na de paspoortaffaire is geslonken - om zijn departement te verlaten. Bovendien blijkt het enthousiasme van Ruding om met de socialisten te gaan regeren uiterst gering. Zo kan Brinkman er met de buit vandoor.

Populair

Maar helemaal binnen is die in 1989, bij de aanvang van het kabinet-Lubbers III, nog niet. Brinkman weet dat hij met zijn optreden en aanpak van het middenveld veel parlementariërs van zich heeft vervreemd. Hij maakt nu van de nood een deugd en herhaalt zijn tactiek die eerder op het departement succesvol is geweest. Door de fractie op hoofdlijnen te sturen en de specialisten veel inbreng te geven, hoeft hij zelf niet meteen de frontlinie van het sociaal-economisch beleid in en maakt hij zich tegelijkertijd populair bij zijn fractieleden. Eindelijk krijgen die weer eens lucht, nadat ze door Brinkmans voorganger De Vries voortdurend op de huid waren gezeten. De grote communicatieve gaven van Brinkman zijn een verademing vergeleken met de wat stugge stijl van De Vries.

Bij het kabinet is Brinkman minder populair. In de moeizame toenadering die christen-democraten en sociaal-democraten na een lange scheiding met elkaar doormaken, fungeert de immer op dadendrang en spoed aandringende Brinkman als stoorzender. De fractieleider heeft altijd al een hekel gehad aan wat in CDA-kring "Jericho-oplossingen' worden genoemd: zeven keer om een probleem heen lopen - dan valt het, net als de gelijknamige muur, vanzelf om. Vooral voor De Vries, die als minister van sociale zaken een sleutelrol vervult in de toenadering, is hij een lastpost.

Door in speeches en interviews vanaf de zijlijn de zweep te laten knallen wil hij niet alleen het voortsukkelende paard in de Trèveszaal tot meer tempo bewegen, het moet ook zijn zichtbaarheid als toekomstig leider vergroten. Sinds Lubbers hem in 1990 als zijn persoonlijke voorkeur voor het lijstrekkerschap heeft aangewezen, heeft Brinkman immers een probleem. Nog nooit heeft een kandidaat-lijsttrekker zich zo langdurig moeten bewijzen - hoe is dat vol te houden zonder de leider in het Torentje te veel te tarten? Brinkman zoekt het antwoord dus in het bespelen van de media. Hij verzorgt optredens die weinig nieuws bevatten. Zo maant hij in het voorjaar van 1991 in een veelbesproken interview het kabinet tot spoed met de WAO. Inmiddels is datzelfde kabinet flink op weg naar een oplossing. Bijna een jaar later trommelt zijn woordvoerder de media op om naar Texel te komen. Daar mogen ze uit de mond van de fractieleider optekenen dat "het speelkwartier voor het kabinet voorbij' is.

Allervriendelijkst

Sinds Lubbers zijn persoonlijke voorkeur afgelopen mei heeft herhaald, is het rustiger geworden in Den Haag. Brinkman lijkt het leiderschap niet meer te kunnen ontgaan. Tekenend voor de positieve sfeer is dat zijn uitspraken die als bedreigend voor het kabinet worden uitgelegd, zoals onlangs over de WAO, meteen worden afgezwakt. In de Algemene Beschouwingen van deze week laat hij zich allervriendelijkst uit over kabinet en coalitie-partner.

Stap voor stap bereidt hij zich voor op het leiderschap. Met zijn voorstel om na 1994 een bedrag van 17 miljard te bezuinigen schrijft hij al een paragraaf van het komend regeerakkoord. Om zijn kennis te verbreden voert de fractieleider het aantal werkbezoeken, onder meer aan bedrijven, op. Ook zijn vrouw Janneke is bij de verbreiding van het Brinkman-gevoel betrokken. Dit voorjaar kregen topfunctionarissen in de gezondheidszorg tijdens een besloten conferentie over het plan-Simons door haar vervaardigde aquarellen aangeboden.

Drie testen wachten Brinkman nog op zijn beoogde weg naar het Catshuis. Zijn dagelijks management van de fractie, dat is gaan lijden onder zijn voorbereidingen op het hoogste ambt, zou op het oude niveau moeten worden teruggebracht. In de coalitie moeten nog enkele dikke knopen (WAO, decentralisatie, plan-Simons) worden doorgehakt. En tenslotte zal hij bij de komende verkiezingen moeten trachten het succes van Lubbers te evenaren, door zowel de traditionele achterban als het niet-christelijk electoraat aan te spreken. Vooral aan dat laatste krijgt hij een heidens karwei. De polder twijfelt nog.

Met medewerking van Hendrik Spiering.

    • Kees Versteegh