Le Monsieur

In de verte kan ik vijf, nee zes schelpenhopen tellen. Als ik heel goed kijk staat er naast de zesde hoop een huisje, dan een stukje wit, en dan nog iets, een soort hutjes. Omdat het nu zondag is moeten daar veel mensen zijn, want zondags gaat de plaatselijke bevolking aangevuld met een paar toeristen naar Lac.

Lac ligt aan Lac Bay, een ondiep meer, eerst donkerblauw vanwege de plantengroei onder water, ongeveer een meter diep, en dan verderop, meer naar zee, die turquoise kleur die aangeeft dat er wit zand door het water heenschijnt, een licht groen-blauwe plek, die oplicht als het zonlicht erop valt, maar die ongeveer dezelfde kleur houdt als er wolken zijn, of zelfs regen. En die komt nu wel eens, want oktober is de regenmaand.

Links van me heerst de knoek. Harde vulkanische steen, met gaten, en een harde knoestige vegetatie, de boompjes allemaal naar het westen gebogen want de passaatwind komt uit het noordnoordoosten. Hij is de laatste jaren ietsje gekrompen en niemand weet waarom.

In de dichtstbijzijnde struik wiegen de twee onafscheidelijke Bonairiaanse papegaaitjes heen en weer. Hun geel doorlopende koppen zijn precies aangepast aan de gele bloemen van de struik waarin ze zitten. Deze Amazona Barbadensis heeft hier, op Bonaire, een eigen soort, met een rood schoudertje, genaamd, lach niet, Rothschildi. Ze krijsen af en toe, om de moed erin te houden en als je je camera-met-de-lange-lens pakt vliegen ze lacherig tierend op je af en over je heen. Weg. De hagedissen die je hier bij tientallen ziet, blijven even weg nu de zon zo hoog staat en zo onbarmhartig is. In de morgen en avond zie je ze bedachtzaam voortstappen en meestal lopen ze van je weg, nog redelijk snel denk je, maar als ze ruzie hebben lopen ze ècht hard, hoog op de poten, staart los van de grond en zo snel dat je ze bijna niet kunt volgen.

We zijn hier gisteren naar toe verhuisd. Dit is de oostzijde van het eiland, bij de Roode Pelikaan, pal oost van de zoutpannen. Er staat hier meer wind, aan de kust is branding en weinig koraal, en het lage water loopt uit in binnenmeren met mangroven, waarboven de macuacu's hangen, de Magnificent Frigatebird. Gisteravond wel tien, allemaal langzaam cirkelend zonder vleugelslag, en zo hoog dat je je niet kunt voorstellen dat ze ooit een vis zien aan de oppervlakte, want ze moeten de vis in de vlucht uit het water pakken. Duiken kunnen ze niet. Wel afpakken van andere vogels, en die zijn er genoeg. Op Bonaire komen 181 soorten voor.

Op onze vorige stek, op Belnem (het Bel-stukje is van Harry Belafonte, die hierover "Island in the sun' schreef), zagen we op een rotsje voor het huis, in het water, een jonge reiger, de Cay, op de andere eilanden de Caw-Caw genoemd, die bedachtzaam voortstappend op zijn gele poten een kleine blauwe Gobie te pakken kreeg en hem levend opslokte, zij het met moeite.

We gingen ook nog even langs bij Cultimara waar de zeeschildpadden-opvang is. Van de vier uit Nederland overgevlogen schildpadden maken drie het goed. De vierde stierf deze week aan een tumor. Ze zijn nieuwsgierig, komen naar je toe zwemmen, maar ze zijn niet aanhalig, en dat is maar goed ook, want ze moeten leren dat de mens hun grootste vijand is, tegen de tijd dat ze worden teruggezet in zee.

Bij de Roode Pelikaan (de eigenaar kwam er pas later achter dat het een Belgisch koffiemerk was - niet slecht - en sloot een contract met ze: waarschijnlijk de enige verbintenis tussen een hotel en een koffiemerk) wordt niets teruggezet. De op het landje wonende visser Doi gaat 's morgens om half vier over het ondiepe meer zeewaarts, nadat hij zich de vorige avond heeft laten vollopen met bier. Maar net als de oude Indiaan die ik achter in de auto had bij Seligman, New Mexico, drinkt hij het liefste Thunderbird, een vuurwater-achtige wijn, waar normale mensen impotent of blind van worden, volgens de bijsluiter. Over schele hoofdpijn wordt niet gerept. Doi heeft maar één oog.

Terwijl ik dit schrijf stop ik met de pen, want zijn kleine achterover liggende bootje komt aan over Lac en ik wuif. Zijn maat die niet tegen drank kan wuift ook, met hetzelfde mooie handje dat hij iedere avond in de bar in het rond geeft. Links fluit de spotlijster en ver achter ons, in de haven van Kranendijk, ligt de 25ste Regatta te wachten op wind die hier wel maar daar niet staat. Er wandelt een norse Venezolaan voorbij. Die zijn allemaal zo. Ook in de bakkerswinkel Exito in het dorp. Geen boe of ba of hoe dat in hun taal heet. De Portugezen van La Portuguesa, het groentewinkeltje, zijn juist weer heel aardig, maar ze maken foutjes in de optelling als je veel koopt. Altijd in hun voordeel.

Doi zet zijn motortje af en het wordt stil. De fregatvogels hangen roerloos en het enige wat je hoort is het tikken van de grote propeller-fan.

Ik had vroeger een wens. Ik moest dan een boek schrijven op een Zuidamerikaans eilandje, in een oud wit vervallen hotel, en dan zou ik elke ochtend de afgebladderde trap afgaan en op de veranda links zou dan een Amerikaans echtpaar zitten ontbijten. Elke morgen zouden ze me naar de sigarenhandel zien lopen en dan terug die sigaar oproken bij een kopje koffie. Ten slotte zouden ze de eigenaar vragen wie ik was en hij zou dan antwoorden: ""Ah, bien, le monsieur là, c'est un écrivain.''

Ik heb het bijna voor mekaar. Nu nog leren roken.

    • van Lennep