Koerden willen opheffing van VN-embargo in Noord-Irak

Het de-facto onafhankelijke Koerdische Noord-Irak beschikt sinds deze zomer over een parlement en een regering. Salahaddin al-Haffid waakt als minister van economie en financiën over de vrijwel lege schatkist. Economische blokkades hinderen de ontwikkeling van dit deel van Irak, dat politiek al zo goed als op eigen benen staat.

SHAQLAWA, 17 OKT. Salahaddin al-Haffid heeft de doorzichtige, perkamentachtige huid van een man op leeftijd. Maar in de ogen van deze 58-jarige telg uit een van de meest vooraanstaande families in het Koerdische Noord-Irak tinkelt de levenslust. Als minister van economie en financiën van het de-facto onafhankelijke Koerdische gebied voelt hij zich als een vis in het water.

Na een korte omzwerving op het departement van Nationale Planning in Bagdad, doceerde hij meer dan twintig jaar economie aan de universiteit in Suleimanya. Een baan die hem de mogelijkheid bood de economische, onderwijskundige en sociale ontwikkelingen in het Koerdische Noord-Irak te bestuderen. Samen met andere deskundigen uit de hoek van de landbouw, het onderwijs, het bankwezen, de kamer van koophandel en het directoraat voor de statistiek in de provincie Suleimanya zette hij eerder dit jaar voor de Iraakse Koerdistan Front dan ook op een rijtje hoe Noord-Irak er na 25 jaar van deportatie en de verwoesting van meer dan 4000 dorpen feitelijk uitziet.

Een rapport dat Al-Haffid als een bijbel koestert. Want het is op basis van dit overzicht dat hij als minister nu aan de slag kan. Een baan evenwel die vooralsnog veel weg heeft van jongensdroom, omdat het Koerdische Noord-Irak nauwelijks over eigen inkomsten beschikt. Sinds 31 oktober heeft Saddam Hussein, na de mislukte autonomiebesprekingen, alle administratieve en economische banden met Noord-Irak verbroken. Dat betekent dat niet alleen de toch al schaarse - gezien het economische embargo van de VN tegen Irak - aanvoer van voedsel, medicijnen en zaken als brandstof uit Bagdad vrijwel volledig kwam stop te liggen, maar dat de overwegend Koerdische bevolking ook geen aanspraak meer kan maken op een evenredig deel van het nationale Iraakse budget.

Al-Haffid lijkt er niet echt gebukt onder te gaan. Opgewekt somt hij op dat de 15 ministeries van het Koerdische Noord-Irak het nu moeten doen met het schaarse geld dat in de schatkist van Noord-Irak vloeit. Geld dat afkomstig is uit slechts enkele bronnen: de inkomstenbelasting, de enkele cement- en sigarettenfabriek die de staat bezit, wat pacht, maar vooral uit de douanerechten. De grenshandel met Turkije (zo'n 5 miljoen dollar per maand) en in mindere mate Iran (1,25 miljoen dollar per maand) vormen op dit moment het leeuwedeel van het Iraaks-Koerdische inkomen. Belasting die voor de helft in Turkse lira's of Amerikaanse dollars moet worden betaald om de inflatie in Noord-Irak te beteugelen.

De verdeelsleutel van hoe dat inkomen wordt uitgegeven, is eveneens vrij simpel. De 120.000 ambtenaren in Noord-Irak krijgen per maand tussen de 200 en 250 dinar (20 dinar heeft in dit deel van Irak op dit moment de waarde van 1 dollar, maar de koers schommelt voortdurend) aan salaris. Als over enkele maanden een leger van zo'n 50.000 Koerdische strijders (peshmerga's) is gevormd) kost dat - samen met de onkosten van huisvesting en levensonderhoud - nog eens rond de 500 dinar per persoon. Veel eigen geld voor de ontwikkeling van Noord-Irak schiet er dus niet over op dit moment. “Wat er dan ook moet gebeuren”, zegt Al-Haffid, “is dat het economische embargo van de VN ten minste gedeeltelijk voor Noord-Irak moet worden opgeheven. We moeten de mogelijkheid krijgen om ruwe materialen en reserve-onderdelen te importeren, die ons in staat stellen de industrie weer op poten te zetten”. Al-Haffid denkt zelfs al een stap verder: “Vervolgens kunnen we - in en via Turkije - zaken als marmer (dat van hoge kwaliteit is in Noord-Irak), cement en mineraalwater op de buitenlandse markt proberen af te zetten.”

Om de economie in Noord-Irak weer enigszins op poten te zetten, zijn intussen drie verschillende typen staatsbanken opgericht: een commerciële, een die zich richt op de agrarische sector en een ter ondersteuning van de reconstructie. “Het kapitaal waarover deze banken beschikken is bescheiden (drie miljoen heeft de reconstructiebank voor leningen) maar de mensen die er werken beschikken over een hoge deskundigheid”, zegt de minister met gevoel voor understatement. “Een deel van hen is in Westerse landen opgeleid.” Al-Haffid heeft becijferd dat na de afkondiging van de economische- en administratieve boycot door Saddam Hussein, 150 miljoen dinars aan privégelden vanuit Noord-Irak naar Bagdad zijn gesluisd. “Geld dat particulieren op rekeningen op de Iraakse banken hadden staan en dat nooit aan hen is uitgekeerd.”

Het project waar de minister van economie en financiën op dit moment het meeste energie in stopt, is de opzet van een staatsplanbureau. Uit de ministerraad, die evenals het regionale parlement in Erbil zetelt, is een commissie gevormd die de voorbereidingen over enkele weken moet hebben afgerond. “Dit bureau zal in de toekomst de economische ontwikkeling van het Iraakse Koerdistan in meerjarenplannen moeten gaan vertalen”, zegt Al-Haffid hoopvol.

Een ontwikkeling die tevens een politieke boodschap inhoudt: Noord-Irak wil ongeacht de toekomstige staatsvorm in de post-Saddam periode ook economisch en financieel zoveel mogelijk op eigen benen staan.

    • Froukje Santing