Ik wou dat er minder was geschreven over het ...

Ik wou dat er minder was geschreven over het seksuele gedrag van blanke mannen in de Derde wereld; minder, en beter. Zelfs de meest bedaarde schrijvers, die zich niet lieten leiden door simpele morele schema's, raakten overstuur, zo niet hysterisch, als ze het hadden over het lot van de zwarte vrouwen. Hoe ze werden geslagen, misbruikt, onteerd. De koloniale geschiedenis is natuurlijk een aaneenschakeling van buitensporigheden. Dat is iedere geschiedenis, omdat geschiedenis jammer genoeg wordt gemaakt door de slechtsten en brutaalsten onder ons.

Toch zijn er onderzoekers geweest die ook de "normaliteit' in beeld hebben willen brengen. Het gewone leven, zeg maar, tussen de lynchpartijen en openbare geselingen door. In Nederland hebben we bijvoorbeeld professor Hoetink, die in de jaren vijftig een prachtig onderzoek deed naar de zeden en gewoonten van blanke heren op Curaçao. Met het simpele woordje "Herengedragspatroon' vatte hij al zijn bevindingen samen. Schrijvers na hem, vooral degenen die het standpunt van "het volk' probeerden te vertegenwoordigen, hebben die term ""het grootste eufemisme uit de Nederlandse koloniale geschiedenis'' genoemd. Maar Hoetink wilde niet de wreedste kant van het kolonialisme laten zien, maar de gewoonste kant.

Het vroegere leven op Curaçao, schrijft Hoetink, was eigenlijk een duffe bedoening. De blanken woonden in Hollandse huizen, ze droegen Hollandse kleren en ze aten Hollands voedsel. Ze hadden het niet per se beter of slechter dan hun soortgenoten in Europa. Alleen warmer.

Toch ontdekte Hoetink een "merkwaardig facet' in het sociale leven van blanken: de betekenis die men gaf aan mannelijkheid. Binnen de blanke gemeenschap was de man de traditionele patriarch die de huiselijke zeden bewaakte met lijfstraffen. Niet alleen vrouw en dochters moesten het ontgelden, maar vooral de zonen. Elke dag, als de heer des huizes thuis kwam, voltrok zich een vast ritueel: de jongens kregen met de zweep, niet om wat ze hadden gedaan, maar om wat ze tijdens zijn afwezigheid hadden kunnen doen. Hier zat absoluut geen dramatiek in. Het was routine, omdat het ging om alledaagse zonden als roken en drinken.

Zo naar en hardvochtig als de blanke man thuis was, zo speels en frivool werd hij buitenshuis. En "buitenshuis' was in de kolonie: de zwarte gemeenschap. Deze strenge, sobere Hollander veranderde, als hij zich onder de zwarte mensen bevond, in een hartstochtelijk danser. ""Zulk furieus dansen als hier gedaan wordt is met geen pen te beschrijven'', schreef een waarnemer in 1830. ""De muziek is ver van mooi, doch daaraan stoort men zich in het geheel niet. Wanneer men geene fiool, geen fluitje of clarinet kan krijgen, danst men enkel op het geluid van de turckse trom en de triangel, tot vier uren in den morgen.''

De blanke heer danste de Latijnse wals, hij danste de Afrikaanse danza en tumba, maar niet louter uit spontane danslievendheid: het was de enige manier om indruk te maken op de zwarte vrouwen, om contact met ze te krijgen en bij hen in de gunst te komen.

Het verschil tussen dag en nacht gaf in de kolonie het verschil aan tussen haat en liefde. De man die overdag de zweep hanteerde wilde 's avonds worden geliefkoosd en vertroeteld. Het veroveren van "volksvrouwen', schrijft Hoetink, werd bovendien gezien als een sociale verplichting, als een teken van lichamelijke en geestelijke gezondheid. Zijn mannelijkheid was afhankelijk van het aantal seksuele betrekkingen dat hij met zwarte vrouwen kon aangaan. Ook de zonen, die niet mochten roken of drinken, werden verondersteld op vroege leeftijd een "bijslaap' te vinden en te onderhouden. Want dat is misschien een nog merkwaardiger facet; de zwarte vrouwen werden niet zomaar misbruikt, maar opgenomen in een heus sociaal instituut: ze maakten samen met de halfbloedjes die ze ter wereld brachten deel uit van een "bijgezin', waarvan de nakomelingen zelfs een vorm van erfrecht bezaten.

Voor de zwarte vrouwen die een relatie aangingen met Hollanders was het leven in zekere zin spannender, avontuurlijker en vrolijker dan voor de blanke vrouwen, die min of meer onder huisarrest stonden. Voor hen geen dansfeesten tot diep in de tropische nacht, geen drank en zeker geen wilde liefdesnachten. Blanke vrouwen waren er voor het baren van de echte erfgenamen.

In alle koloniale samenlevingen hebben ze daarom geprobeerd wraak te nemen, niet op hun echtgenoten, maar op de zwarte bijvrouwen. In Suriname bedachten de Europese dames iets spectaculairs, een bepaalde klederdracht voor de zwarte meisjes: de kotto. Het was een bizar kostuum dat bestond uit zeven of acht wijde rokken die de heupen onzichtbaar maakten, en een ruime blouse waaronder op de rug een kussen was vastgenaaid. Hierdoor leek het alsof de meisjes gebocheld waren. Het haar werd bedekt met een anjisa, een muts die carnavalesk aandeed.

""Men was van meening dat, indien deze negervrouwen zich versierden met ten minste zeven of acht rokken om hun weelderige vormen te bedekken, hun blanke meesters niet in de verleiding zouden komen een te nauwe aanraking met hen te zoeken'', schreef de journalist Hendrik de Leeuw in 1934: ""Een verblijf van een dag in Paramaribo echter zal u spoedig van het nuttelooze van deze bedoeling overtuigen. In het verleden brachten de kottomissies (zoals de kotto dragende vrouwen werden genoemd, AR) groote gezinnen voort en hedentendage doen zij dit nog, waarbij zij soms niet al te zeker zijn omtrent het vaderschap van hun kroost. Met andere woorden, een rok meer of minder maakte al heel weinig verschil voor den verliefden blanken meester.''

Hendrik de Leeuw was een zeer bijzondere journalist: hij was meer een etnoloog, die in dienst van Amerikaanse tijdschriften grote reizen maakte door tropische streken, van de Guyana's tot Azië. De Wereldbibliotheek heeft in de jaren dertig zijn beschrijvingen van Suriname en Curaçao uit het Engels vertaald, onder de titel "Onze West'. Maar het verrassende aan Hendrik de Leeuw is zijn toon. Hij is een van de weinige schrijvers van die tijd die geen morele opdracht hadden. Hij had wel oog voor de beestachtigheden van de blanken, maar legde zich vooral toe op een zo eerlijk mogelijke beschrijving van wat hij zag. En dat is, zoals men weet, niet makkelijk.

Uit zijn verhalen blijkt zijn eerbied en respect, zijn liefde voor wat hij zag en zijn fascinatie voor schoonheid: ""Ik zie de vrouwen, recht als palmen, lenig en rijzig, die geweldige lasten op het hoofd dragen. Deze gekleurde vrouwen, en hun mannen niet minder, maken diepen indruk op mij door hun waardige houding en het ongedwongene en sierlijke van hun bewegingen. Zij loopen zonder zwaaiende schouders, met groote schreden, luchtig balancerend op de uiterste punt van den blooten voet. Hun oogen, zoo vol van vreemden, zachten, weemoed hebben lange zijden wimpers. Hun haar is een massa dikke, glanzige krullen, die een blauwe tint in de zon vertoonen. Ik vroeg mij af waaruit dit prachtige type ontstaan was, welk een vermenging van rassen het geschapen had. Ongetwijfeld een kruising die men alleen te Paramaribo ontmoet en bovendien raadselachtig blijft.''

Maar zo raadselachtig is het niet. Hendrik de Leeuw zag de nakomelingen van blanke mannen en zwarte vrouwen. En hij bekeek de vruchten van die verboden en altijd veroordeelde liefde op zijn beurt weer met zoveel liefde, met zoveel bewondering, dat hij in de koloniale geschiedschrijving zijn gelijke niet heeft.

Hoe komt het eigenlijk dat niet meer blanke mannen op deze manier naar zwarte en gekleurde vrouwen hebben kunnen kijken? Er waren grofweg twee soorten schrijvers die naar de tropen gingen: degenen die in dienst waren van grote Europese handelsmaatschappijen en er dus belang bij hadden de sensuele kant van het kolonialisme te verzwijgen. En degenen die de brutaliteit en wreedheid van de blanken in de tropen juist aan de kaak wilden stellen. Uit dat oogpunt was het niet gepast om het te hebben over de schoonheid en bekoorlijkheid van de inheemse vrouwen, want dat zou lijken op een excuus voor de begeerte van de blanke mannen.

Het belangeloos en liefdevol kijken naar de vreemdeling, het onbeschroomd toegeven aan de betovering die van hem of haar uit kan gaan, vereist een bepaald soort geestdrift; het vereist "flair en stijl', zoals Gustave Flaubert zei, toen hij tijdens zijn reis door de Oriënt verliefd raakte op de Egyptische courtisane Ruchiouk-Hanem. Westerlingen, blanke mannen, hebben die stijl meestal niet, was Flauberts klacht. Als ze kijken naar vreemde culturen doen ze dat uit hun onderwerpingsdrang: ze willen de vreemdelingen beheersen, door ze letterlijk vast te ketenen of door ze wetenschappelijk te onderzoeken. Vandaar dat we bijna alles weten van de boosaardige slavendrijver en bijna niets van "den verliefden blanken meester'.