"Ik heb alles geprobeerd om het slaan te vermijden'

NRC Handelsblad begint vandaag een zesdelige serie over mannen en vrouwen die hun (ex)partner doodden of hiertoe een poging deden. Wat was de eis? Hoe luidde de straf. En waarom deden ze het?

Wendy B. is 47 jaar. Op een avond sloeg zij haar partner bewusteloos, goot vijf ketels kokend water over hem uit en liet hem verder aan zijn lot over. De aanklacht luidde: poging tot doodslag met voorbedachte rade. Ze werd veroordeeld tot een jaar tbs, een verplichte psychiatrische behandeling.

Een kleine kamer zonder ramen. Een tafel, twee stoelen, een asbak en aan de muur een bel. Achter ons vergrendelt de bewaarster de deur.

Wendy B.: “Vijfentwintig jaar geleden ben ik uit Nederland vertrokken. Ik werkte als verpleegster, maar ik wilde iets anders. Toevallig vroeg iemand me of ik zin had in een baantje als stewardess bij een Afrikaanse luchtvaartmaatschappij, die kans heb ik met beide handen aangegrepen. In Afrika leerde ik mijn toekomstige man kennen, een marinier. We werden verliefd, trouwden en kregen een kind.

“Toen hij naar Amerika werd overgeplaatst, was het normaal dat ik meeging, hoewel ik liever in Afrika was gebleven. De sfeer, de geur van Afrika, die raak je niet zomaar kwijt, maar het werd Californië. Van top tot teen was ik opeens "the all American girl': een mooi huis, een leuke man en twee gezonde kinderen. Het was een luxe leventje van uitgaan, party's, en altijd veel geld en veel vrienden.

“Maar op een gegeven moment ging het mis. Misschien kwam het doordat ik met stuff in aanraking kwam en regelmatig zat te blowen. Ik begon het huishouden te verwaarlozen, en van mijn kinderen en ook van mijn studie kunstgeschiedenis die ik was begonnen, kwam niets meer terecht. Ik werd onbeschrijfelijk depressief, afgewisseld met enorme uitschieters. De ene dag was ik zo gelukkig dat ik het Vrijheidsbeeld wilde kopen. De volgende dag zat ik zielig in een hoekje.

“De diagnose was acute schizofrenie. Wist ik veel wat dat was. Ik ben drie maanden opgenomen en toen ik eruit kwam, was ik niet meer in staat om die rol van lieve huisvrouw te vervullen. Dat wilde ik ook niet meer. Ik heb mijn gezin verlaten, mijn man en mijn kinderen. En ik ben op het vliegtuig terug naar Nederland gestapt.

“Uit die overdaad aan luxe kwam ik hartje winter terecht op een piepklein kamertje met een piepklein straalkacheltje. De kinderen zijn nooit officieel aan mijn ex-man toegewezen. Ik heb gewoon gezegd: "Jij neemt de kinderen.' De jongste was een, de oudste was vier. Ik zou ze twintig jaar lang niet meer zien.

“In Nederland voelde ik me zo droevig dat ik een poging tot zelfmoord deed. Toen ik in het ziekenhuis bijkwam, dacht ik helemaal niets. Ik was niet teleurgesteld, ik was niet blij. Weer belandde ik in een inrichting. Met tussenpozen ben ik acht jaar behandeld, maar eigenlijk zag ik er destijds het nut niet van in. Op een dag zeiden ze: "U bent genezen. Stop met medicijnen slikken, probeer een baan te vinden en een leuke vent.' Ik liep tegen de veertig.

“We leerden elkaar kennen in een koffiehuis. Een moordvent, een stoot, een kwal, een griezel en een zielepoot tegelijk. Ik heb honderd termen voor hem. Hij was gewoon honderd procent mens. Voor mij is hij slecht geweest, maar toch ook weer goed. Daar heb ik nog steeds geen duidelijk antwoord op, want in zekere zin voldeed hij aan mijn verwachtingen. Ik had mijn handen vol aan hem en dat wilde ik juist. Wij hebben gebruld van het lachen, wij hebben ook vreselijke ruzies gehad. Maar ik had nooit geleerd om te vechten. Iemand in koelen bloede doodschieten, ja, daar ben ik toe in staat, maar vechten, voor jezelf opkomen en jezelf fysiek verdedigen, nee, dat had ik nooit geleerd.

“Hij was diabeticus, dus er zat voor mij een roeping bij, ik was toch ooit begonnen als verpleegster. Wij leefden niet alleen samen, wij leefden in elkaar. Altijd samen, dag en nacht, jaar in jaar uit. Maar al snel begon het en er zat een vast patroon in. Op zondagavond, wanneer ik mijn pyamaatje aanhad en in bed lag, kreeg ik opeens een enorme dreun middenin mijn gezicht. Zomaar.

“Dit kan niet waar zijn, dacht ik nog die eerste keer, maar toen zei hij: "Het spijt me, ik doe het nooit meer.' Ik heb werkelijk alles geprobeerd om het te vermijden: op hem inpraten, eroverheen praten, negeren of mijzelf verontschuldigen. Die klappen waren afschuwelijk, maar ik bleef mijzelf toch steeds weer aanbieden.

“Als het te gek werd, liep ik weg naar een pension, het Leger des Heils of een Blijf van Mijn Lijf Huis. Soms ging ik naar hem terug, soms haalde hij mij terug. Maar hij bleef slaan, en hij sloeg hard. Eigenlijk denk ik dat hij altijd al een ongelooflijke hekel aan mij heeft gehad. "Catch your kicks on route 66.' Het soort man dat erop kickt zijn vrouw te mishandelen en dan lief voor haar te zijn.

“Pas na jaren heb ik hard teruggeslagen. Het gebeurde 's nachts. Het was een van die keren dat ik weer was teruggekomen. Hij was gaan slapen en in een aanval van schoonmaakwoede had ik het hele huis opgeruimd. 's Avonds werd hij wakker. Hij ging tegenover me zitten. Hij zei niets, hij deed die keer niets en toch - opeens - sloeg ik er op los. Ik werd zo ontzettend kwaad!

“Hij verweerde zich niet. Met twee karateslagen heb ik zijn wenkbrauwen stukgeslagen. Het bloed stroomde over zijn gezicht. Hij had nog niets gegeten en ook zijn insulineprik nog niet genomen, dus hij raakte snel buiten bewustzijn. Op mijn dooie gemak heb ik hem verder mishandeld. Dreigen, schelden, trappen, alles wat ik van hem had geleerd. Eigenlijk alleen om mijzelf te vermaken, want hij merkte er niets meer van.

“Ik heb een paar blikken soep opengetrokken en de inhoud over hem uitgegooid. Daarna heb ik ketels op het vuur gezet en het water kokend over hem heengegooid. Terwijl hij daar lag, heb ik urenlang mijn gal over hem uitgespuugd. Ik wilde hem misschien niet doodmaken, maar ik wilde hem gewoon even flink te grazen nemen. Ik voelde opwinding en kracht, ik was sterker. Ik was lekker bezig.

“De volgende morgen heb ik me gemeld bij de politie. In het rapport stond dat hij tweede- en derdegraads brandwonden had. Ik heb hem niet om het leven gebracht, maar het had gekund. Nu besef ik wel dat ik niet mag beslissen over dood en leven. Maar de drift om dat te doen heb ik wel. De rechter en de psychiater hebben gezegd dat de kans op herhaling bestaat. Ik voel ook niet de drang om dat ten koste van alles te voorkomen.

“Als je me nu vraagt houd je van hem, dan zeg ik nee. Maar als hij morgen op de stoep staat en zegt: "Ik zal je niet meer slaan, laten we het opnieuw proberen', dan ga ik weer met hem mee. Dan moet het zo zijn, dan zou ik dat risico weer nemen. Misschien moet ik wel het slachtoffer zijn dat wraak neemt om te laten zien wat wraak is.

“Maar ik heb nergens spijt van. Als ik morgen mijn leven opnieuw mocht leven, zou ik precies hetzelfde doen. Ik kan ook niet anders. Soms denk ik dat ik dit alles in mij draag, omdat ik een kind ben van ouders die al waren gescheiden voordat ik werd geboren. Mijn broer en ik zijn door mijn moeder opgevoed. Een fantastische moeder, nooit een verkeerde stap gezet. Nooit gerookt, nooit gedronken, nooit alleen in het café gehangen, altijd gewerkt voor haar werk, nooit een dag gemist. Tot haar pensioen. Tot ze niet meer op haar benen kon staan.

“Mijn moeder weet dat ik zit en waarom. Zij heeft geweldig gereageerd. Als wij bellen is het "Dag mam,' en dan zegt zij "Dag poes'. Dan praten wij over koetjes en kalfjes en hangen weer op. Zij heeft mij in mijn waarde gelaten. Van jongsafaan heeft zij mij geleerd: "Een sigaretje roken is al verkeerd, maar het is jouw keus. Jouw leven'.

“Mijn eigen kinderen heb ik twintig jaar niet meer gezien. Tot vorige week. Zij zijn uit Amerika overgekomen, dat was geweldig. Zij hebben mij twee keer opgezocht. Dan zit je elkaar aan te kijken. Ben jij dat nou? Ben jij zo geworden? Na twintig jaar zoeken zij hun moeder op en die zit dan in de gevangenis. Zij weten waarom. Dat is sneu, heel sneu. Het is de gevangenis, maar het had net zo goed het ziekenhuis kunnen zijn, of een inrichting. Ik heb er vrede mee. Het zijn mooie, volwaardige mensen geworden die allebei naar de universiteit gaan. Ik ben niets van plan, hoor, maar stel dat ik morgen vrijkom en er ligt een ticket, dan neem ik het eerste vliegtuig naar Amerika.

“De gevangenis is een wachtkamer voor mij. Hierna moet ik mij verplicht een jaar onder psychiatrische behandeling stellen. Als de rechter mij levenslang had gegeven, had ik het ook prachtig gevonden. Ik zie het verschil niet meer zo tussen binnen en buiten de muren. Eigenlijk blijf ik liever hier, de psychiatrie roept bij mij herinneringen op aan pillen en spuiten. Hier gaat alles zoals in een inrichting, behalve dat je geen medicijnen krijgt.

“Ik voel mezelf niet getikt. Ik voel mezelf niet schuldig en ook geen crimineel. Diep in mijn hart vind ik dat hij er wel erg makkelijk vanaf is gekomen. Maar wat er nu met me gebeurt, dat heb ik nog nooit meegemaakt. Ik sta met open mond naar mijzelf te kijken. Er zijn dagen dat ik vierentwintig uur gelukkig ben. Dagen zonder een kink in de kabel. Van een gevangenis verwacht je het niet, maar ik word hier bediend, en dan ook nog op zo'n alleraardigste manier. In de maatschappij word je vaak helemaal niet aardig bediend.

“Ik heb het gevoel dat ik het hier erg getroffen heb. De gevangenis is mij op het lijf geschreven: regelmaat, rust en veiligheid. De heerlijke weelde van beschermd te zijn. Allemaal aardige mensen om mij heen, echte lieve schatten. Voor de grap zeg ik wel eens, "Was ik hier maar beland op mijn eenentwintigste.' Maar ik meen het ook. Ik heb het gevoel dat ik eindelijk ben thuisgekomen.”