Honderd maal ja (meconopsis III)

De Meconopsis betonicifolia die we nu in onze tuinen hebben zijn niet afkomstig van Bailey (zie Meconopsis I), niet van Delavay (zie Meconopsis II), maar direct of indirect van het grote pak zaad dat in 1925 uit Tibet werd verstuurd door Frank Kingdon-Ward - een ontdekkingsreiziger en plantenjager die bijna zonder onderbreking actief was van 1911 tot 1957; hij ging naar Tibet om het laatst overgebleven raadsel op te lossen omtrent de loop van de Tsangpo, de rivier waarlangs in 1884 ongezien de gemerkte boomstammen van Kintup voorbij waren gedreven; hij zocht ook naar de meconopsis van Bailey en vond er in overvloed. Het was Baileys eigen beschrijving die Kingdon-Ward naar de vindplaats leidde, maar de glorie was van korte duur: bijna onmiddellijk werd ingezien dat deze legendarische blauwe papaver dezelfde was als die Delavay al eerder had ontdekt (de Kolonel zelf noemde haar in 1957 nog steeds Meconopsis Baileyi, en onder die naam komt men haar zelfs nu nog in sommige zaadcatalogi tegen).

De meconopsis werd gezaaid in 1925, zij bloeide in 1926 en veroorzaakte een sensatie in de tuinwereld. De tijd was rijp voor nieuwe planten; het tuinminnend publiek was nu veel omvangrijker geworden, de mensen hadden voor het eerst sinds de Wereldoorlog weer belangstelling voor de buitenwereld en vrijwel iedere nieuwe plant uit China of Tibet was een gegarandeerd succes, dankzij een nieuwe romantische visie op de plantenjacht, veroorzaakt door schrijvers als Reginald Farrer (On the Eaves of the World, 1917) en Kingdon-Ward zelf (The Land of the Blue Poppy).

Blauwe papavers uit het Oosten hadden al eerder Europa bereikt, maar dat werd door de ophef rond M. betonicifolia wat over het hoofd gezien; M. simplicifolia bloeide al voor het eerst in Engeland in 1848 (er is een hemelsblauwe variant, merkwaardig genoeg bekend als "Bailey's Form': misschien een poging van de botanici om het goed te maken) en er was M. grandis, geïntroduceerd in 1895. Maar deze waren allebei berucht moeilijk, met die hinderlijke neiging tot tweejarigheid die ook M. betonicifolia wel eens vertoont: schitterend bloeien in hun tweede jaar en dan sneuvelen op het veld van eer. Ook scheen M. grandis een speciale grondsoort nodig te hebben: toen zij voor het eerst werd waargenomen (door G. Watt in 1881) tierde zij fleurig ""tussen de ruïnes van wat stenen hutten in een vroegere jakken-kraal,'' een klaarblijkelijk zeer potent mengsel van zwerfstenen, puin en oude jakkedrek. De plaatselijke bevolking, rapporteerde Mr Watt, at de zaden. Een andere Britse reiziger, H. Cave, probeerde later, getroffen door de schoonheid van de plant, wat van die zaden te zaaien. Tot zijn vreugde ontkiemden ze, maar slechts om op te gaan in een andere voedselketen: nog voor de planten volgroeid waren werden ze tot de laatste toe soldaat gemaakt door de jakken. Je vraagt je wel eens af hoe het mogelijk is dat er überhaupt nog planten overleven.

Maar de zaden verstuurd door Kingdon-Ward hadden tenminste niets van jakken te duchten en moeten sterk en resistent zijn geweest. Andere plantenjagers, die de aanwijzingen van Delavay hadden gevolgd inplaats van die van Bailey, hadden ook al Meconopsis betonicifolia gevonden en zelfs eerder dan Kingdon-Ward. George Forrest ""had bijna de plek van Delavay achterhaald'' (let op dat "bijna': ook hij moet een harde dobber aan die kaarten hebben gehad) en was met zaad teruggekomen, evenals de Amerikaanse plantenjager Joseph Rock. Maar of het zaad kiemde niet of de planten stierven als zaailingen; de zaden uit Yunnan waren blijkbaar niet zo goed als de Tibetaanse soort.

Kingdon-Ward schrijft dit toe aan het feit dat de planten in Yunnan zich aan de periferie van het areaal van de soort bevonden en daarom zwak waren, zoniet bezig langzaam het loodje te leggen. ""Als we'', schrijft hij met grote stelligheid, ""een lijn trekken van Lunang [de plek van Bailey] bijna loodrecht zuidoostwaarts naar Heqing [de oorspronkelijke vindplaats van Delavay], dan gaat hij door alle plaatsen waar Baileys papaver is aangetroffen.''

Nu is het trekken van lijnen in dat deel van de wereld geen eenvoudige zaak, aangezien de aangeduide plaatsen over twee of zelfs drie bladzijden in de atlas vallen; maar in feite gaat deze lijn door een stukje India, een stukje Birma Triangle (ook papavergebied) en daarna een paar duizelingwekkend hoge bergen over, alvorens te eindigen in China. Waar Kingdon-Ward in feite de meeste blauwe papavers zag was het noordelijkste stukje van Birma, dat het middelpunt van het meconopsisareaal moet zijn; maar Birmese Blauwe Papaver heeft op een of andere manier niet de zelfde romantische klank als Chinese of Tibetaanse.

Maar waar de bakermat ook was, Kingdon-Ward had een vooruitziende blik. ""Nooit eerder'', schreef hij, ""zag ik een blauwe papaver die zoveel belofte had van winterhard te zijn en gemakkelijk in Engeland te kunnen worden gekweekt. Omdat het een bosplant is zal zij minder te lijden hebben van de kuren van ons onzekere klimaat; daar zij van betrekkelijke hoogte komt is zij gewoon aan dat onbepaalde gemiddelde weer dat wij haar zo gul kunnen bieden; en aangezien het een vaste plant is zal zij de tuiniers niet tot wanhoop brengen'' (The Riddle of the Tsangpo Gorges, 1926).

Maar Meconopsis betonicifolia is niet altijd even vast; sommige tuiniers kopen ze eenvoudig elk jaar opnieuw, en de plek waar zij naar verluidt het beste gedijt is Schotland (hetgeen een geheel nieuw licht werpt op het soort klimaat dat ze in de Birma Triangle hebben). Zij houdt van schaduw en vocht, heeft naar het schijnt een enorme wortelbal, hoewel ik het niet waag de mijne uit te graven om dit te verifiëren; en hoe zuurder de grond hoe zuiverder blauw de bloemen. Hun meest spectaculaire moment is wanneer de eerste bloem opengaat: 's avonds een knop zwellend van belofte en de volgende morgen die elektrisch blauwe papaver, waarvan de bloembladen veel te dun lijken om zoveel kleur in zich te kunnen hebben en die nog de kreukels vertonen van hoe zij gevouwen zat in de knop. De bloemen steken overal bovenuit en zijn zo anders van kleur dan de rest van de tuin dat het dadelijk tot je doordringt dat zij afkomstig moeten zijn uit een ander zonnestelsel.

Waar hebben deze opiumloze papavers hun sprookjesachtige reputatie aan te danken? Zijn het de avonturen die zich afgespeeld hebben rond hun ontdekking, of is het hun reputatie van weerbarstigheid die hen begeerlijk maakt? Ze zijn nu in Europa sinds 1926 en je zou dus een zekere gewenning mogen verwachten; maar laat ze iemand zien en hij is, zeker de eerste keer, met stomheid geslagen; niet alleen door de schoonheid van de bloem maar ook door het onwaarschijnlijke ervan. Het is of niemand verwacht dat een gewone bloem, of welke bloem dan ook, zo blauw kan zijn. Je denkt aan alle moeite die de mensen zich - vergeefs - hebben getroost om een blauwe roos te kweken, en met deze nederige klaproos krijgen we het cadeau. Is er soms iets onnatuurlijks aan de kleur blauw? Bovennatuurlijks misschien, een blik door de realiteit heen?

Zelfs nu, kijkend naar hun niet bepaald opwindende herfsttooi, vind ik het moeilijk te geloven dat die hemelse kleur volgend jaar weer terug zal komen uit iets dat er zo weinigbelovend uitziet.

Sprekend over de bladeren waagde Kingdon-Ward zich af te vragen of de plant al die moeite wel waard was. ""I doubt if the flowers show for three weeks... Without flowers the plant is nothing; and is that crowded fortnight of glorious life worth fifty weeks of oblivion?'' Hij mag dan een grote ontdekkingsreiziger en plantenverzamelaar zijn geweest, maar de ware tuiniersziel had hij misschien toch niet; mijn antwoord op de laatste vraag is: Ja, honderd maal ja.

Het is mijn bedoeling bij gelegenheid nog eens terug te komen op enkele praktische aspecten, zoals bijvoorbeeld het zaaien van deze wonderplant. Voor ervaringen van lezers houd ik mij aanbevolen. - S.H.

    • Sarah Hart