Gezicht

Het gezicht van een oude man op gympen, een gezicht waarvan je meteen weet dat het je bijblijft.

In alle vroegte, het dal nog in de schaduw, komt hij knikkend in zijn knieën van de weg tussen de bananebomen, een snijdend beeld van waardig in verval.

Een hoed op zijn hoofd, blauwe gympen zonder veters aan zijn voeten. Zijn uitgemergeld lijf steekt in een bruin kostuum dat goede tijden heeft gekend, nu bestoft en veel te wijd. Zijn hand houdt hij op een schoolschrift, opgevouwen in de zak van zijn colbert.

De wangen ingevallen, de kaken grauw. Onder dit gezicht ligt het doodshoofd klaar. Maar de diepe, zwarte ogen smeulen nog. Iets van angst, van gekte, eenzaamheid. Kijkt niemand aan, zegt geen mens gedag.

En na die eerste ochtend ook de tweede en de derde.

Ik droom van deze man. Mijn droom voegt niets aan hem toe. Hij is zoals hij is en loopt waar hij loopt, op de weg tussen de bananebomen.

Pas als ik even wakker ben, een glimp van maan, het geluid van zee, komt er een gedachte bij. Dat wij leven om kennis te nemen van de dood. Rustig en verhelderend, eerder mooi dan wrang. Ik ben dus uitgerust. Was ik moe dan werkte die gedachte anders, dan werd ik bang.