Ed Wubbe geeft in "Kathleen' aan elke danspas een noodzaak

Gezelschap: Scapino Ballet Rotterdam. Nieuw werk: Kathleen. Choreografie: Ed Wubbe; muziek: Godflesh/Stern; decor, kostuums: Pamela Homoet; lichtontwerp: Michiel van Blokland. Tevens: Diachrome van Paula Vink en Nisi Dominus van Wubbe. Gezien: 15/10 Rotterdam, Schouwburg. Verder: 16/10 Breda; 17/10 Kerkrade; 18/10 Den Haag; 20/10 Sittard; 21/10 Heerlen; 22/10 Roermond; 25/10 Amsterdam; 27 en 28/10 Rotterdam; 29/10 Venlo; 31/10 Maastricht.

Het Scapino Ballet Rotterdam deed een gouden greep, toen het in september 1990 Ed Wubbe aantrok als huischoreograaf. Wubbe heeft méér capaciteiten dan het maken van balletten. Vanaf het begin van dit seizoen neemt hij, bij langdurige afwezigheid van Nils Christe, ook het artistiek directeurschap waar. Onder zijn leiding bloeit het gezelschap op. Dit blijkt vooral uit Wubbes nieuwe werk Kathleen. Een genadeloos, theatraal dansstuk dat met onnavolgbare overgave door de Scapino-dansers wordt vertolkt.

Kathleen verwijst naar het Vlaamse bewegingstheater van Anne Teresa de Keersmaeker, maar parafraseert het niet. Wubbe laat zien dat hij haar meerdere is, door zijn choreografisch vakmanschap en zijn creatieve bewegingstaal. Ook kan hij het zonder Mozart of Monteverdi stellen. Kathleen is gemaakt op een zelf verzonnen simpel melodietje, door Ruben Stern bewerkt en gespeeld door Laurent Trincal (piano) en Michiel Jansen (gitaar), dat overgaat in de rauwe klanken van de groep Godflesh. Tevens brengt Wubbe een verhaallijn aan en de twintig dansers tot aangrijpende acteerprestaties zonder bijdrage van een dramaturg of regisseur. In stijl ontwierp Pamela Homoet het decor en de kostuums. Als achterwand is er een gigantische, gescheurde, grijze muur met bijpassende schuttingtaal. Haaks erop staan de resten van een bouwsel. De zeven meisjes dragen zwarte jurken met witte onderbroeken en laarsjes. De eigentijdse kleding van de dertien jongens is grijs met hier en daar een vaalblauw accent.

Wubbe laat eerst zien waar de oorsprong van het huidige Europese danstheater ligt: bij de expressionistische balletten van Kurt Jooss. Links op het toneel staan de danseressen zo opgesteld achter een laag blok, dat het verband met Jooss' De Groene Tafel helder is. Voorzichtig lopen hun vingers over het betonnen blad in de richting van de mannen, die zijn verspreid aan de andere kant. Een oefening die leidt naar geweld, aanranding en onderdrukking. In 1932 waarschuwde Jooss voor de oorlog, nu herinnert Wubbe aan de verwording van onze maatschappij.

Het dansvocabulaire van Wubbe lijkt onontputtelijk. Details wisselt hij af met grote accenten, een enkeling met grote groepen. Vooral in het bundelen en voortjagen van die groepsformaties evenaart hij Rudi van Dantzig. De bewegingen zijn vloeiend of mechanisch. In een moordend tempo voegen de lichamen zich van de ene gecompliceerde houding in de andere. In die energieke stormloop van gevarieerde combinaties brengt een verstilling geen opluchting, maar geeft alleen het isolement aan van het individu. De personages, de tegenwoordige jeugd moeten verbeelden, geven de noodzaak aan van elke pas die wordt gezet.

Toch spreekt uit Kathleen geen nihilisme. Ook in deze uitzichtloze wereld is ruimte voor genegenheid. Kameraadschap bij de jongens, saamhorigheid bij de meisjes of wederzijdse aanhankelijkheid. De lachjes van deze danseressen zijn niet voos. Er straalt een jeugdig optimisme vanaf, dat hoop geeft voor de toekomst.

    • Caroline Willems