De geslagenen; Ook de loyaalste mijnwerkers van Nottinghamshire zijn door Major verraden

Dinsdag kwam het bericht. Sommige mijnwerkers hoorden het terwijl ze ondergronds waren, hun vrouwen zagen het nieuws op de televisie. Vóór maart volgend jaar sluit British Coal 31 mijnen en staan dertigduizend man op straat. Vermoedelijk zal het totaal aantal ontslagen in en rond de kolenindustrie oplopen tot honderdduizend. Zelfs de trouwste conservatief in het mijndorpje Calverton moet nu zijn positie herzien. Wat is er in die aardige premier Major gevaren? En hoe lang moet Whitehall nog op de Britten beuken voor het volk ontwaakt?

Roy Lynk, mijnwerker en leider van de gematigde Unie van Democratische Mijnwerkers, heeft twee dagen nodig gehad om te bedenken hoe hij David kon spelen tegen de Goliath van de Britse regering. Donderdag, twee dagen na de aankondiging dat British Coal 31 mijnen gaat sluiten en 30.000 mijnwerkers binnen zes maanden op straat zet, had hij het gevonden. Zonder dat de manager het in de gaten had, liet hij zich zakken in de schacht van Silverhill Colliery in Sutton-in-Ashfield in het graafschap Nottingham en verklaarde dat hij niet meer uit de mijn zou komen, voor de plannen tot sluiting waren opgeschort.

Van alle desperate mijnwerkers in Engeland en Wales, voelde Roy Lynk zich deze week misschien wel het meest verraden. Bleek en nauwelijks beheerst had hij zich dinsdag jongstleden vertoond aan de Britse televisiekijker: ""Het hele weefsel van de samenleving wordt hier door deze regering verscheurd. Dit is niet Rusland, dit is Groot-Brittannië - en het stinkt.''

Arme Lynk: leider van een beweging van gematigde mijnwerkers die in de beruchte staking van 1984-85 niet hadden meegestaakt met de militante Yorkshire-mijnwerkers en hun leider Arthur Scargill. Die beweging, voornamelijk geconcentreerd in Nottingham, heeft de Conservatieve regering uiteindelijk geholpen het conflict te winnen. Lynks Unie van Democratische Mijnwerkers (UDM) hielp de Britten de winter door. Bittere conflicten uit die tijd zijn vandaag de dag nog altijd niet geheeld. De militante stakers uit Yorkshire kwamen naar Nottingham om de stakingsbrekers een lesje te leren. Een hele politiemacht moest de partijen gescheiden houden en nog vielen er klappen. Groepen stakende mijnwerkers liepen door de dorpen van Nottingham en wezen op de voordeuren van werkende mijnwerkers. Zij zongen, op de melodie van Simon & Garfunkel: "I'd rather be a picket than a scab' - en dat wijsje kunnen de mijnwerkers in Nottingham nog steeds niet goed verdragen.

Gruwelijk gelijk

Dat mijnwerker tegenover mijnwerker kon staan, vader tegen zoon soms, broer tegen broer, heeft onder de werkers in de Britse kolenindustrie een trauma veroorzaakt. Tot dinsdag jongstleden werden in de mijndorpen rond Nottingham de leden van Scargill's National Union of Mineworkers (NUM) net zo met de vinger nagewezen als in Nederland gebeurde met NSB'ers na de oorlog. En er zijn er, die na de staking nooit meer een baan hebben gekregen, omdat ook British Coal heel goed wist wie wie was.

Maar Roy Lynk en zijn UDM koesteren zich in de welwillende houding van de Conservatieve regering, wier minister van industrie, Michael Heseltine, aan hun tafel at en - de vorige maand nog - op hun congressen sprak. De Britse regering stond welwillend tegenover het voornemen van de UDM om na de aanstaande privatisering van British Coal een conglomeraat te vormen, dat zou pogen zelf een aantal mijnen te exploiteren. De naam van Arthur Scargill was het S-woord dat Heseltine en Lynk nog hechter aan elkaar bond. Geen van tweeën zou het ooit vrijwillig in de mond nemen. En toch, met geen woord was Lynk ingelicht over de ingreep die diezelfde Heseltine in de kolenindustrie wilde doen. Toen dinsdag jongstleden in Londen een persconferentie bijeen werd geroepen, waar de sluiting van tweederde van de Britse steenkoolcapaciteit werd aangekondigd, was Lynk minder voorbereid dan Scargill. Het was het ultieme verraad.

""Een zacht ei'', ze de UDM-leider eerder deze week. ""Als je gematigd bent, denken ze in dit land zeker dat je een zacht ei bent. Dat ze over je kunnen lopen.'' En: ""Dit is een opzettelijke poging om de mijnwerkers in dit land in de rug te steken.''

Arthur Scargill, met zijn waarschuwingen dat de regering een geheime lijst met te sluiten kolenmijnen in de bureaula had liggen, heeft nu gruwelijk gelijk gekregen en er zijn UDM-leden die dat deze week voor het eerst hardop durfden zeggen. Zelfs de minst militante mijnwerkers spreken honend over ""de moeilijkste beslissing van mijn leven'', die Heseltine zegt te hebben moeten nemen op economische gronden. Heeft hij deze week net zo slecht geslapen als de vijfduizend mijnwerkers die al met vier dagen zouden worden opgezegd en gisteren slechts door tussenkomst van de rechter konden voorkomen dat ze meteen op straat stonden? Of camoufleert hij het mes in zijn hand en volvoert hij de wraakactie op de mijnwerkers die de Tories al in de zin hebben sinds Edward Heath in 1974 zo smadelijk de verkiezingen verloor op het thema "wie is in dit land eigenlijk de baas?'

Hoe het zij, de wanhoop over de komende sluiting en het vooruitzicht van een leven on the dole (in de steun) was de bevolking van Nottingham deze week van het gezicht te lezen. De mijnsluitingen zijn niet minder dan een nationale ramp. Verwacht wordt dat het opdoeken van 30.000 banen in de mijnbouw zal leiden tot een verlies van 100.000 arbeidsplaatsen totaal: bij trein- en wegvervoer, bij leveranciers van goederen en diensten en bij de kolencentrales. Vrijwel niemand begrijpt hoe een regering zo schijnbaar gemakkelijk afstand kan doen van een natuurlijke rijkdom als kolen ten gunste van zwaar gesubsidieerde kernenergie, eindig gas en goedkope kolen uit het buitenland. De industriële revolutie, die Groot-Brittannië tot ongekende bloei bracht, werd gevoerd op de rug van de rijke aanwezigheid van steenkool. Scheepsbouw, machinebouw, staal: zij zijn allemaal voortgekomen uit de aanwezigheid van steenkool en gebaseerd op het bloed en zweet van de mijnwerkers. Overal in Engeland, maar vooral in de direct getroffen gebieden, lijkt de abrupte aankondiging het enige gespreksonderwerp in winkels en cafés. Vrouwen zeulen zorgelijk met kinderwagens door het dorp, mannen begraven hun gezicht in een pint Mansfield Best Brown en zeggen aanvankelijk niet meer dan "bloody hell'.

Vijf miljoen winst

In Calverton, een mijndorp, was eerder deze week de nachtploeg net aan het werk gegaan. Door regen en ijskoude wind kwam een deel van de afgeloste ploeg het Miners Welfare Centre binnen. Daar schonk de bejaarde barmevrouw zonder vragen de grootste maat glazen vol: wie zes pinten zweet, moet er zes pinten bij drinken. Na het eerste glas wilden de mannen wel praten. Zij zijn, zeggen ze, lam geslagen. ""Het dringt lanzaam door, maar er wil nog niets uitkomen.'' Van militantie is nog steeds geen sprake. British Coal heeft al meteen gezegd dat stakers hun afkoopsom niet krijgen uitbetaald en dat risico wil niemand lopen.

Calverton Colliery heeft nog hooguit zes maanden te gaan. Sommigen hoorden dat nieuws toen zij beneden in de mijn aan het werk waren, op hetzelfde moment dat hun vrouwen het thuis op de televisie zagen aangekondigd. Zij konden het niet geloven. Juist deze mijn had de laatste zes jaar zijn produktiviteit verdubbeld en alleen al het afgelopen half jaar vijf miljoen pond winst gemaakt.

""Wij hebben alles gedaan wat het management ons gevraagd heeft en dit is dan je loon.''

Brian Ford is 53. Heeft zijn hele leven in de mijn gewerkt. Hij beschouwt zichzelf als een van de gelukkigen: veel van zijn leeftijdgenoten zijn er bij eerdere mijnsluitingen in de regio als eersten uitgegaan. Dat Calverton zou sluiten, had hij nooit verwacht. De directeur hier was zelf ook volgeschoten toen hij de mededeling aan de werkvloer deed. De mijn heeft nog een half jaar te gaan, mits het bestaande produktiepeil gehandhaafd blijft. Dat betekent een dilemma: niemand heeft er meer zin in, maar elke cent verdienste is meegenomen. Dus hebben ze besloten British Coal leeg te zuigen voor elke penny die ze er maar uit konden slepen. Dat geld kunnen ze straks hard nodig hebben, want van 43 pond per week werkloosheidsuitkering kun je niet veel doen.

Brian had gedacht dat hij nog zeven jaar zou werken en dat hij dan goed zou kunnen leven. Er zou een pensioen zijn, het huis (goedkoop van British Coal gekocht) was tegen die tijd afgelost en de laatste zeven jaar had hij kunnen sparen. Nu staat hij in maart op straat met een jaar salaris (37.000 pond), geen enkel uitzicht op ander werk en de vrees dat een assetstripper als wijlen Robert Maxwell zich meester maakt van de 14 miljard pond in het pensioenfonds van British Coal wanneer het bedrijf straks geprivatiseerd wordt.

""I expected to live well'', zegt hij. ""The missus moet nu het geld binnenbrengen. Ze doet schoolmaatijden. Ze zegt dat we er wel zullen komen, als we voorzichtig zijn. Geen vakanties meer, niet meer vier, vijf avonden in de week uit drinken. Maar we zullen ook the kids niet meer kunnen helpen. Over hem daar maak ik me meer zorgen''.

Roy Ford, een van Brians vier zoons, is, als de meeste van Calvertons mijnwerkers, rond de dertig jaar oud. Een jonge kerel, die zijn best heeft gedaan zich te verbeteren, aangestoken door het vuur waarmee Margaret Thatcher in de jaren tachtig the enterprise society predikte.

""Hij heeft jonge kinderen'', zegt Brian, ""een hypotheek van 600 pond per maand. Hij werkt zeven dagen in de week om dat op te kunnen brengen. Wat gaat er met hem gebeuren?'' Roy haalt zijn schouders op. ""Dat zal wel innemen door de bank worden'', zeg hij stoer en slaat een enorme slok Home Mild achterover. ""Waar moet hij heen?'' zegt Brian. ""Herscholing? Voor wat? Een kameraad van mij heeft na zijn ontslag zes maanden geleerd voor metselaar. Toen hij klaar was, kreeg hij nog geen werk: te weinig ervaring. Nu is er helemaal geen werk: recessie. Nee, het is allemaal schijn. On your bike en naar de schroothoop''.

Vervelen

In het hart van Calverton, vlak achter het winkelcentrum, ligt ook de domineeswoning. De vicar, dominee Roy Catchpole, beantwoordt geenszins aan het imago dat dat woord oproept. Hij draagt geen wit boordje, hij is niet oud en evenmin omslachtig. Op een standaard in zijn werkkamer staat een plattegrond van Calverton met demografische aantekeningen: "Mijnwerkers', "import van 1957', "bejaarden, weinig kinderen'. In een hoek van de plattegrond hangt een tekst: ""Een traditionele Anglicaanse kerk in een plattelandsgemeenschap, gewend geweest om in het middelpunt te staan, maar macht verliezend en worstelend om een nieuwe rol te vinden in een zich wijzigende omgeving.''

De dominee heeft weinig illusies over het lot dat de ontslagen mijnwerkers te wachten staat. ""De eerste week slapen ze uit, misschien gaan ze nog een keer met vakantie, dan gaan ze zich vervelen. Het drinken wordt niet minder, dan beginnen ze hun vrouw te slaan, en de kinderen worden de dupe. Dit zijn goed geschoolde werkers, die langzaam tot het besef zullen komen dat hun vaardigheden bovengronds geen betekenis hebben. Die voor de rest van hun leven nergens naar uit kunnen kijken. Die afhankelijk worden van een staat die hun steeds minder te bieden heeft. Wie weg wil, kan niet, want er is een recessie en je kunt je huis niet verkopen. Wat deze regering heeft gedaan is voor hen een gat graven, waar ze niet in of uit kunnen. Eenderde van Calverton zal straks werkloos zijn. Het is liefdeloos, het is zelfvernietigend en het is economisch en sociaal desastreus voor deze hele gemeenschap. Wat gebeurt er toch met dit land dat het zo ver moet komen?''

De dominee werkt met andere hulpverleners aan een rampenplan voor sociale opvang. Een van de belangrijkste taken die hij de kerk heeft toebedacht is die van het waarschuwen tegen geldwolven en aasgieren.

""Zodra de mijn hier dichtgaat zullen ze naar het dorp komen: De aanbieders van aantrekkelijke investeringen, de verkopers van timeshares in flatgebouwen in Marbella. Een paar jaar geleden is in Hucknall, een mijndorpje even verderop, precies hetzelfde gebeurd. Mijnwerkers hebben al hun afvloeiingsgeld aan dit soort sharks verloren.''

Vechten

In de village hall is een comité van bijstand bijeengekomen, onder leiding van de vice-voorzitter van de parish council zelf. De leden zijn vrijwel zonder uitzondering zelf ex-mijnwerkers: grove kerels met grove grappen die nog steeds prat gaan op hun kunnen. De veronderstelling dat mijnen toch vuil en zwaar werk moet zijn, het soort baan waarover je toch goed moet nadenken voor je er aan begint, stuit op collectief onbegrip. Denk ik heus dat de mijnwerker geschikt is om in een fabriek te werken? Waar een baas op een fluitje fluit wanneer je moet beginnen en wanneer je op mag houden? In de mijn lijkt niet één dag op de andere. ""Mijnen is geen baan, het is een manier van bestaan.'' ""Ik hield van mijn werk''. ""Je vertrouwde op Moeder Natuur en als ze goed voor je was regende het pennies from heaven.''

Albert Woodward zegt met alle gezag van zijn wijkraadslidmaatschap dat in dit comité geen politiek bedreven mag worden, maar dat hij persoonlijk bereid is te vechten. Hij zal meedemonstreren in de grote mars naar het parlement en hij ziet graag in de notulen opgetekend dat de mensen volgens hem wachten tot de TUC (de vakcentrale) leiding zal geven aan dat protest. Dat moet snel: het verwerken van de schok duurt enkele maanden en dan is het te laat. Het comité heeft verder extra folders aangevraagd die de ontslagenen de weg moeten wijzen naar de doolhof van bijstand en huursubsidie. Woodward persooonlijk is al benaderd door de eigenaar van de fish and chips shop. Het gaat hem zakelijk slecht. Vroeger bestelde iedere klant één vis, één patat en één portie stukgekookte erwten. Maar de laatste tijd delen hele families twee vissen, bestellen ze een grote zak patat per persoon en laten de mushy peas achterwege. Naast de visman staat al een winkel leeg, andere bedrijven worden discreet te koop aangeboden. Hoe moet dat als straks recessie en massa-ontslag samengaan?

Nottinghamshire, ingeklemd tussen twee grote Noord-Zuid-verbindingen, heeft nooit specifieke redenen gehad om deel te nemen aan de wijdere wereld en is in veel opzichten een naar binnen gerichte gemeenschap gebleven. De milde houding die de mijnwerkers uit deze streek in de grote staking van 1984-85 aan de dag legden, valt voor een groot gedeelte uit dat isolement te verklaren. Maar nu de regering het graafschap zo'n klap heeft toegebracht, nemen juist de Conservatieven - provincie- en gemeenteraadsbestuurders - het als eerste voor de mijnwerkers op. Het regent verklaringen waarin wordt gesteld dat het ""moeilijk is om nog loyaal te zijn''. Middleclass dames en heren kunnen er niet bij dat die aardige John Major, de premier van de classless society, de mijnwerkers zo grof aan de kant wil zetten. Ze spreken van een "schandelijke' situatie en moeten zich "op hun positie beraden'. Maar ook het bredere publiek is geschokt. Arthur Scargill heeft met zijn militante tactieken veel sympathie voor de National Union of Mineworkers verspeeld, maar de beroepsgroep is voor de Britten van grote emotionele waarde. Ingezonden brievenschrijvers uiten in de kranten hun verontwaardiging over de gevoelloze ontslagaanzegging. Er zijn voorstellen tot acties van massademonstraties tot de nationale draai-de-knop-om-dag, die de twee grote energie-opwekkingsbedrijven in dit land aan den lijve moeten laten voelen dat zij de Britse steenkool niet zomaar kunnen laten voor wat zij is. Wat de redenen van de beslissing ook zijn, de regering heeft met de wijze van aankondiging in de ogen van vriend an vijand een kolossale blunder begaan.

En naarmate de week vorderde, leek het er steeds meer op dat John Major c.s. onbedoeld aan hun eigen ondermijning zijn begonnen. Details lekten uit: het voltallig kabinet was niet eens op de hoogte van de ingreep in de kolenindustrie en de 1 miljard pond die Heseltine ter compensatie aanbiedt, werd volgens een intern memo "wanhopig mager' gevonden. En zonder dat de 30.000 mijnwerkers nog waren meegerekend, steeg het werkloosheidscijfer voor de 26ste achtereenvolgende maand en doorbrak de psychologische barrière van 10 procent van de beroepsbevolking. Terwijl John Major al zijn energie richtte op de cruciale top van Europese leiders in Birmingham, kopte een krant: "Mr. Major - met welke Kohl zit u eigenlijk aan tafel?' Anderen vroegen zich af: Heeft de regering een economisch beleid? Of glijdt Groot-Brittannië stuurloos en reddeloos af in het zog van een depressie?

Politieke dwaasheid

De reden die de regering opgeeft voor de sluiting van de kolenmijnen in de aanloop van de verkoop van British Coal aan de hoogste bieder, is dat er niet langer een markt is voor Britse steenkool. Nu de energieopwekkingsbedrijven en regionale energieleveranciers twee jaar geleden door de regering zijn gedenationaliseerd en omgevormd tot particuliere, op winst gerichte bedrijven, wordt de Britse steenkool van de markt verdreven door de activiteiten van gasgestookte centrales en door de import van goedkope steenkool uit het buitenland. Analisten mogen nog zo voorspellen dat gasgestookte centrales tot duurdere energierekeningen voor de consument zullen leiden, politieke opponenten van de regering mogen er op wijzen dat het vertrouwen op blijvend goedkope import van steenkool uit Polen politieke dwaasheid is, de regering wil niet horen van een herbezinning. De laatste minister voor energie, John Wakeham, placht zijn tegenstanders al voor te houden: ""We hebben wèl een energiebeleid. Het is de markt zelf.''

Medestanders van de regering zeggen dat Arthur Scargill en zijn stakende mijnwerkers zelf de schuld zijn van de "vrijmaking' van de energiebedrijven uit de omknelling van de mijnwerkers en daarmee van de amputatie van British Coal. Margaret Thatcher had zich na de nederlaag van Edward Heath al voorgenomen dat, als het aan haar lag, één groep arbeiders nooit meer de kans mocht krijgen een heel land zo in gijzeling te houden. De energievoorziening moest niet langer alleen afhankelijk zijn van steenkool. Dat is de reden dat kerncentrales enthousiast werden gepropageerd en nog steeds (omdat ze onverkoopbaar bleken en dus in handen van de staat zijn gebleven) 1.2 miljard pond per jaar aan subsidie ontvangen. Het is ook de reden dat de energie-distributiebedrijven de vrijheid hebben gekregen om de goedkoopst leverbare energie in te kopen en dat de regionale bedrijven gasgestookte centrales bouwen. Ze doen dat om niet langer alleen afhankelik te zijn van steenkool, maar ook om de kosten van ontzwavelingsinstallaties voor de bestaande centrales te ontduiken. Privatisering maakt het mogelijk de kosten van gasgestookte centrales vrijwel ongestraft aan de verbruiker door te berekenen, ook al gaven de directies van de maatschappijen zelf toe dat het gebruik van bestaande kolencentrales goedkopere elektriciteit oplevert voor de consument.

Dogma

British Coal heeft ondertussen voldaan aan alle eisen die de regering haar stelde. De produktiviteit is met 12 procent per jaar verhoogd. Het is nu de meest efficiënte, minst gesubsidieerde kolenindustrie in West-Europa. In Duitsland, waar de kolenindustrie vorig jaar subsidies ontving ter waarde van 3,5 miljard pond, wordt van elektriciteitsbedrijven verwacht dat ze de voorkeur geven aan de eigen mijnen en de eigen mijnwerkers. In Groot-Brittannië ""wint dogma van gezond verstand'', zoals meer dan een commentator de afgelopen dagen opmerkte. Volgens de eerste berekeningen gaat de Britse regering 10 miljard pond uitgeven om de restanten van British Coal gereed te maken voor privatisering. De verkoop zal naar verwacht hoogstens 500 miljoen opleveren. De kosten van gemist inkomen uit belasting en van uitgaven aan sociale ondersteuning aan tenminste 30.000 mijnwerkers en nog eens 60.000 à 70.000 van de mijnbouw afhankelijken, (8000 pond per persoon per jaar) zijn niet meegeteld en dus niet afgewogen. De onherroepelijkheid van het afsluiten van ""een toekomst voor onze kinderen'' staat niet ter discussie. Over de sociale gevolgen wordt door de regering nauwelijks gerept. En er is meer slecht economisch nieuws op komst.

Hugo Young, de politieke columnist van The Guardian, constateerde deze week dat Groot-Brittannië een land is waar het gemakkelijk is slecht te regeren, ""want dit is een natie die alles slikt''. De vakbonden zijn geknecht, de macht is steeds verder gecentraliseerd in Westminster en Whitehall en ""wat ministers willen, kunnen ministers gewoonlijk ook kijgen''.

""Toen minister Major in Brighton zijn Land-of-Hope-and-Glorylijst van deugden van het Britse volk opsomde, liet hij die van duldzaamheid weg'', schrijft Young. ""Het eindeloze, verbijsterende, toelatende, tot het uiterste niet eisende stoïcisme van de volken op dit eiland, hoe groot de verkeerde handelingen en de verkeerde beslissingen ook zijn van degenen die over hen heersen. Het begon al met het geven van een mandaat aan de Conservatieven voor een vierde termijn. Moet het echt doorgaan met blanke vergiffenis voor de valse beloften waarop die verkiezingsuitslag was gebaseerd? Er is een crisis van bestuur. Maar er is ook een crisis van pessimisme, waardoor wordt toegestaan dat slechte bestuurders op hun plaats kunnen blijven zitten, zonder dat de Britten, uniek, hen daarvoor ter verantwoording roepen.''

Een dergelijke tekst gaat het begrip van Brian en Roy Ford ver te boven. Zij stemmen trouwens Labour. Maar van een massaal opstaan tegen de regering geloven zij niets, van een grote golf van solidariteit met hun lot evenmin.

""They'll rue the day'', profeteert de oudere mijnwerker. ""Zij zullen nog aan ons denken wanneer die buitenlanders meer geld voor hun steenkool gaan vragen. Maar dat kan ons niet helpen. Er zijn geen andere mensen die het voor ons zullen opnemen. We are miners. They hate us anyway.''

    • Hieke Jippes