"Dámes, dámes, alsjeblieft, alsjeblieft!'; Het succes van de "zwarte' Don Bosco school

In Amsterdam is bijna de helft van de leerlingen in het lager onderwijs van niet-Nederlandse origine. Van de tachtig scholen voor voortgezet onderwijs zijn er tien "zwart', een kwalificatie waaraan wordt voldaan als zestig procent of meer van de leerlingen allochtoon is. Een van die scholen is het Montessori College Oost aan de Polderweg. Het MCO probeert het stereotiep te doorbreken dat zwarte scholen per definitie probleemscholen zijn. Een kennismaking met eindexamenklas motorvoertuigentechniek, waar achttien leerlingen met zeven verschillende nationaliteiten worden opgeleid tot automonteur. Lead is gezet

Twee bruine dreumesen in een groene overall komen, de lasbril op het voorhoofd geschoven, het klaslokaal binnenlopen. Janice is veertien en Susan zestien. Ze zijn de twee enige meisjes bij motorvoertuigentechniek op de Don Bosco, zoals de LTS, inmiddels opgegaan in het Montessori College Oost, door de leerlingen nog steeds wordt genoemd. Als klein kind al riep Susan tegen haar ouders dat ze automonteur wilde worden, en haar Surinaamse vader en Jamaicaanse moeder hadden daar geen bezwaar tegen. Susan gaat op school het liefst met de jongens om. ""Veel meisjes haten me hier op school, ze noemen me bitch, omdat ik altijd bij de jongens blijf. Maar jongens zijn veel leuker, ze roddelen niet zo veel en worden niet zo snel kwaad.'' Ook de constante aandacht, die de jongens aan de twee meiden in hun gezelschap besteden, laat de twee niet onberoerd, zo blijkt later tijdens de les vaktekenen, wanneer ze hun uiterste best doen hun springerige aandacht te verdelen tussen hun vrolijke klasgenoten, de saaie sommen in het leerboek en de Hollandse meester, die ze reuze aardig vinden.

Janices vader maakte eerst wel bezwaar tegen haar carrièreplannen, maar ze heeft hem uitgelegd dat zj met haar beroep moet leven en daar kon hij haar geen ongelijk in geven. ""Ik wil niet thuiszitten, ik wil een baan. Ik wil eerste monteur worden. Niet alleen omdat je dan meer verdient, maar ook omdat je dan leuker werk hebt. Ik wil niet de garage aanvegen of koffie halen voor het personeel, maar sleutelen aan auto's.'' Susan knikt instemmend, al is ze vorig jaar blijven zitten, omdat ze, zoals ze zelf zegt, ""te lui was en een grote mond had in de klas''. Na school gaan de meiden "rondhangen' of de stad in. In het weekeinde wordt er gevoetbald en gediscoot. Geld voor de absoluut noodzakelijke merkkleren krijgen ze van hun ooms en oudere broers en zussen.

Schitterend huwelijk

Drie ouderwetse schoolgebouwen staan er aan de Polderweg in Amsterdam-Oost. De Van Gellicum-school voor lager huishoudelijk en nijverheidsonderwijs, de Van Deventer-MAVO en de LTS Don Bosco zijn uiteindelijk vorig jaar gefuseerd tot het Montessori College Oost met 110 leraren en rond de duizend leerlingen. ""Het is een schitterend huwelijk'', grapt een leraar, ""tussen de traditionele Italiaanse pater Don Bosco en de verlichte Italiaanse schoolvernieuwer Maria Montessori.'' Resten van het katholieke verleden zijn nog te bespeuren in het glas-in-loodraam in het trappenhuis, waar de bruingepijde pater, een aureool om het kale hoofd, geflankeerd wordt door stichtelijke teksten als "Gebed heiligt het werk en het geheiligde werk brengt alle vrucht voort' en "Voortvarend en geduldig, in eenvoud schuilt kracht'. Draai je je om, dan word je omspoeld door een stroom veelkleurige leerlingen, die Don Bosco definitief de katholieke geschiedenisboekjes intrappen.

Het Montessori College is een zwarte school. Tachtig procent van de leerlingen is niet-Nederlands en het is op de Polderweg dan ook een gewemel van hoofddoekjes, huidskleuren en haardrachten, die sterk afwijken van die van de doorsnee Nederlandse blonde bleekscheet. Van de tachtig scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam zijn er tien zwart. Maar in tegenstelling tot de naburige zwarte scholen aan het Timorplein en in de Wibautstraat, die kampen met gebrek aan leerlingen en met sluiting worden bedreigd, stijgt aan de Polderweg het leerlingental gestaag, zodat nu zelfs tot nieuwbouw voor een totale capaciteit van 1600 leerlingen is besloten. Veel leerlingen stappen van andere scholen hierheen over. Het Montessori College staat goed bekend, de politie komt er niet of nauwelijks en heeft ook geen klachten van winkeliers uit de buurt.

De school beantwoordt niet aan het schrikbeeld van messentrekkende crimineeltjes en afgetobde en uitgeputte leraren. Dat wil niet zeggen dat de leerlingen doetjes zijn. Velen hebben problemen thuis, komen uit gebroken gezinnen en vertellen verhalen die je op een blanke scholengemeenschap in Amsterdam-Zuid niet te horen krijgt. De kinderen hebben een zeer uiteenlopende achtergrond, en missen een gemeenschappelijk verleden. En toch draait het en zijn de scholieren, als je het vraagt, "best wel tevreden' over de school.

Rob Janssen (35), leraar motorvoertuigentechniek, werkt nu zeven jaar op de LTS en in die zeven jaar is de school duidelijk vooruitgegaan. In het begin had hij veel meer conflicten met leerlingen. Je groeit er in. Als hij thuis in Brabant vertelt dat hij in Amsterdam op een zwarte school werkt, wordt er meewarig gekeken, maar zelf heeft hij het zeer naar zijn zin. ""De zwarte jongens zijn veel volwassener dan Nederlanders. In het Nederlandse gezin zorgen pappie en mammie overal voor. Buitenlandse kinderen hebben vaak al lang de verantwoordelijkheid voor broertje of zusje. Ze zijn ook in emotioneel opzicht rijper, ze uiten zich makkelijker, ze zijn heel lichamelijk en raken je voortdurend aan. Ik leer veel van ze. Wij Nederlanders zijn maar een stijf volkje.''

Het lager beroepsonderwijs wordt vaak gezien als een vergaarbak voor die kinderen, die niet mee kunnen komen, maar daar is Janssen het absoluut niet mee eens. ""Je kunt vandaag de dag beter een vakdiploma hebben dan een mavodiploma. De jongens weten waar ze voor werken. Ik heb mijn klassen dertien uur in de week, dat kweekt een intensievere band dan in het overige voortgezet onderwijs, waar de problemen dan ook veel groter zijn. Je kunt het vertrouwen van je leerlingen winnen.'' De school heeft goede contacten met bedrijven in Amsterdam. Janssen zoekt zelf stageplaatsen voor zijn kinderen uit. In de autobranche zit toekomst. Een goede monteur kan zo aan de slag. Rob selecteert zijn kinderen zelf, ze moeten gemotiveerd voor het vak kiezen, anders begint hij er niet aan.

De klas

Zijn eindexamenklas, de vierde, telt vijf Marokkanen, een Ghanees, zes Surinamers, een Antilliaan, een Turk, een Portugees en drie Nederlanders. De Antilliaanse Alfredo (18), met zijn meter lange rasta-staart op zijn rug en een gouden tand in zijn mond, is de gangmaker van de klas. Hij kwam vier jaar geleden met zijn moeder en zijn zus uit Willemstad naar Nederland. Ook de Hollandse Martin (16), opgeschoren kapsel en leren jack, zie je niet gauw over het hoofd. Hij woont met zijn moeder en zijn pitbull in Oost. De Ghanese Jeffry (17), lang en beweeglijk, een dekseltje krullen op zijn hoofd, kwam drie jaar geleden uit Accra om zich bij zijn vader te voegen. De stille Surinaamse Duncan (18) woont in een woongroep, nadat zijn vader hem het huis heeft uitgezet. De serieuze Hindoestaanse Surinamer Joshua (16) doet de vierde klas over omdat hij zich tot MTS-niveau wil opkrikken. Hij reisde vier jaar geleden zijn moeder achterna naar de Bijlmer. De stevige Abdoel gaat enigszins zuchtend het laatste jaar door, hij zit met zijn hoofd nog in Marokko, waar hij net zes weken vakantie heeft doorgebracht. En Hollandse Henkie (16) huist afwisselend bij zijn vader en zijn oma.

De praktijkvakken vinden de jongens overduidelijk het leukst. Onder leiding van meester Janssen sleutelen ze, in groene overalls, aan de motoren in de werkplaats. Martin repareert zijn eigen scooter, Abdoel prutst aan een cardan-as, Duncan verricht voor mij duistere handelingen aan een motorblok, Jeffry maakt kortsluiting door twee lampen verkeerd met elkaar te verbinden en Joshua doet pogingen een aandrijfriem te installeren. De theoretische vakken vereisen meer zitvlees en dat is een probleem. Je concentreren op één ding tegelijk lijkt voor kinderen steeds moeilijker te worden. Sommigen verkeren bij voortduring in dromenland, anderen gebruiken de sommen om af te reageren op de buurman, weer anderen willen zo graag antwoord geven, dat ze vergeten dat daar denkwerk aan vooraf dient te gaan. Hoewel de meeste jongens goed Nederlands spreken, ontstaan er originele taalassociaties. Als Janssen een in wit plastic gehulde accu demonstreert en vervolgens vraagt wat het woord "isoleren' betekent, roept iemand triomfantelijk "plastic'. Toch blijft er volgens de leraar behoorlijk wat bij de jongens hangen. Over het niveau van de klas is hij niet ontevreden.

Door de bank genomen heerst er een zekere orde in de klas, maar soms slaat de vlam in de pan, zoals tijdens een les vaktekenen. Jeffry, die niet stil kan zitten, begint te hiphoppen. Hij maakt ritmische bewegingen met zijn armen en reciteert foutloos hele lappen Engelse tekst. Alfredo zoekt het meer in de obscene gebaren en zijn Engelse woordenschat bevat alle bestaande varianten op fuck en shit. ""Dat doen ze omdat u er bent'', verklaart Joshua glimlachend, terwijl hij rustig verder tekent aan zijn dwarsdoorsnede. Als de meester Martin het zwijgen oplegt, roept hij kwaad dat hij als blanke altijd overal de schuld van krijgt. ""Je zegt niks tegen hen! Dat is discriminatie!'' En waar pesten de zwarte jongens de blanke mee? Met hun gele tanden natuurlijk. Nu gaat Jeffry uit zijn dak en Duncan roept: ""Houd toch eens je mond, man, Jezus, je lùlt maar door!'' Waarop Alfredo sust met ""Dámes, dámes, alsjeblieft, alsjeblieft!'' En plotseling daalt de rust weer neer op de schoolbanken.

Stage

Waarom het Montessori College het beter doet dan de naburige zwarte scholen? Volgens adjunct-directeur Hans Dankaart, leraar geschiedenis en Nederlands, komt dat door een streng, doch rechtvaardig aannamebeleid, een enthousiaste groep betrekkelijk jonge leraren en een positieve instelling. Als scholen eenmaal in een neerwaartse spiraal belanden, dan is er vaak geen houden meer aan. Het aantal leerlingen neemt af en men nadert de kritieke grens, waarna sluiting dreigt. Dan wordt ijlings het aannamebeleid versoepeld en dus groeit het aantal probleemgevallen. Daar komt nog bij dat ook de subsidie gekoppeld is aan het leerlingenaantal. Loopt dat terug, dan dalen de inkomsten en gaan renovatieplannen of onderwijsvernieuwing de ijskast in. Het Montessori College doet er alles aan om het zover niet te laten komen en dat lukt vrij aardig.

""Het Montessori-onderwijs met zijn individuele aanpak is heel geschikt voor buitenlandse leerlingen, het is onderwijs op maat'', zegt Dankaart. ""Bovendien bieden wij de leerlingen twee dingen: respect en perspectief. We proberen dat hier zo helder mogelijk te krijgen. Kinderen moeten uitzicht hebben op een baan. Ze begrijpen heel goed dat de sociale dienst een valstrik is.'' Leerlingen lopen in hun derde en vierde jaar stage bij instellingen als de PTT, V&D en grote automobielbedrijven en worden door de decaan op weg geholpen met solliciteren. Een enquête heeft uitgewezen dat het merendeel van de kinderen emplooi vindt of naar het middelbaar beroepsonderwijs gaat.

Toen Dankaart in 1979 op de Don Bosco begon, telde de school zo'n zeshonderd, voornamelijk Nederlandse scholieren. Dankaart vindt niet dat het niveau op de school, door de toevloed van buitenlandse kinderen, gedaald is. ""Wel moet je je er voortdurend van bewust zijn dat tal van begrippen, die voor Nederlandse kinderen vanzelfsprekend zijn, voor buitenlanders onbekend zijn. Ze weten bijvoorbeeld niet wat "gemeente' betekent. Of ze begrijpen voorwaardelijke zinnen niet. Ook de vaktaal vormt voor veel leerlingen een struikelblok en daar wordt dus extra aandacht aan geschonken. Maar het verschil in resultaten zit hem bij leerlingen niet zozeer in hun nationaliteit, als in hun concentratievermogen. Het is voornamelijk een disciplinekwestie.''

In Amsterdam is in het lager onderwijs nu al achtenveertig procent van de leerlingen allochtoon, zegt Dankaart. De scholen die pogingen doen om "blank' te blijven, ontkennen de realiteit. Dat zwarte scholen steeds zwarter worden, geldt volgens hem overigens sterker voor de hogere schooltypes. In het beroepsonderwijs heeft de situatie zich gestabiliseerd. Hij ziet zelfs weer een heel langzame toename van het aantal blanke kinderen en spreekt van een "lichte kentering'. Dankaart vindt het werk de laatste vijf jaar alleen maar leuker geworden. ""De opvang voor niet-Nederlandse kinderen is beter geregeld, de begeleiding is leuk en slaat aan bij de leerlingen.'' Dat zwarte scholen probleemscholen zouden zijn, bestrijdt hij dan ook resoluut. ""De Nederlandse kinderen verschilden vijftien jaar geleden ook enorm qua intelligentie en achtergrond.''

Van racisme merkt Dankaart weinig op school. Er wordt over en weer gescholden en er is wel eens een knokpartij, maar er vormen zich geen groepen op nationale grondslag. ""De pers overdrijft het negatieve beeld. In werkelijkheid loopt de integratie in de wijken redelijk goed.'' De directeur heeft wel moeite met het inconsequente beleid van justitie en politie. ""In april werd een veertienjarige jongen in de school op heterdaad betrapt bij inbraak. De politie heeft hem gewoon laten lopen.''

Dankaarts beroepsmatige positivisme wordt enigszins gerelativeerd door kritiek van sommige leraren op het Montessori-onderwijs, dat na de fusie ook op de Don Bosco is ingevoerd. Het eist van de kinderen grote discipline en zelfstandigheid en veel van de allochtonen kunnen dat, met hun taalachterstand, niet aan, zeggen ze. Van de leraren verlangt het systeem een veel individuelere begeleiding en daar is de mankracht niet voor. Dankaart schuift de kritiek als "overgangsperikelen' ter zijde. ""De school geeft de leerlingen een kader en vastigheid, iets wat ze thuis vaak missen. Veel leerlingen blijven hier ook na de lessen rondhangen. Op de stakingsdag van het onderwijspersoneel, twee weken geleden, waren er geen lessen, maar de school was toch vol met kinderen.''

Klasgenoten

Van zijn vader wil Alfredo niks weten, maar zijn moeder staat op een hemelhoog voetstuk. Ze haalde hem hierheen om hem een goede opleiding te geven en doet haar uiterste best om hem uit het Antilliaanse criminele circuit te houden. In de Bijlmer is 's zomers een hardnekkige Antilliaanse jeugdbende actief, die de politie heel wat hoofdbrekens kost. ""Ik woon in het slechtste gedeelte van de Bijlmer, in Hoptille'', zegt Alfredo. ""Overal gebeurt van alles, maar misschien gebeurt het daar te vaak.'' Wat er dan gebeurt, daarover blijft hij in het vage, maar dat hij precies weet wat er loos is, lijdt geen twijfel. ""Dat kan ik je niet vertellen, het is het geheim van de buurt. Zo is het leven, het hoort er bij.'' Zelf zegt hij niet van plan te zijn het verkeerde pad op te gaan. ""Kijk, spannend is het niet, maar slecht is het ook niet. Je wilt niet in de problemen komen. Voor een tijdje is het misschien leuk, maar je gaat achteruit in plaats van vooruit.''

De school bevalt Alfredo wel, de klas is leuk, hoewel de meesters altijd denken dat ze het beter weten. ""Maar als je je best doet geven ze je een kans'', moet hij toegeven. Alfredo komt van de MAVO, dat beviel hem niet, te veel met je neus in de boeken, hij wil iets met zijn handen doen. Vorig jaar heeft hij stage gelopen bij Ford in Breda. Er is werk genoeg, zegt hij. ""Van een uitkering leven? Nee, dan krijg je pas problemen. Je zit thuis, hebt niks te doen, dan ga je stommiteiten uit-halen. Als je werkt kom je niet in moeilijkheden. Geld dat makkelijk komt gaat ook weer makkelijk weg. Wat heb je eraan mensen te doden en slechte dingen uit te halen? Er is niks beter dan de vrijheid, achter de tralies word je gek.''

Drie jaar heeft Jeffry zijn moeder al niet gezien. Hij mist haar, schrijft vaak brieven. Zijn ouders zijn gescheiden, zijn moeder woont inmiddels in Nigeria, zijn vader, die in Ghana in het leger werkte, trouwde met een Nederlandse vrouw en kwam elf jaar geleden hierheen. Van zijn zeven kinderen wonen er twee in Ghana en vijf sinds kort in Nederland. Accra herinnert Jeffry zich als een mooie stad. Hij ging er naar de high school, die onvergelijkelijk veel strenger was dan de scholen hier.

Als ik hem vraag wat hem opviel toen hij naar Nederland kwam, schiet hij in de lach. ""De meisjes'', zegt hij proestend, ""alles wat je wilt krijg je.'' Vrienden hier vindt hij betrouwbaarder. ""Afrikaanse jongens houden zich niet aan afspraken.'' De school bevalt hem goed, al heeft hij met deze of gene leraar wel eens ruzie. Ook met meester Janssen heeft hij wel eens woorden gehad. Hij kwam 's ochtends altijd te laat, omdat hij zijn zusje naar school moest brengen. Jeffry wil automonteur worden en in Ghana een garage beginnen, maar zijn hartewens is voetballen bij Ajax. Hij rookt niet, drinkt niet, doet aan bodybuilding en voetbalt bij FC Fokker. ""Ik wil graag brééd worden. Je moet goed eten anders groei je niet. In Ghana rookt niemand op school. Drugs? Néé! Daar heb ik geen verstand van.''

Jeffry werkt twee keer per week in een snackbar. Hij gaat niet veel uit, zijn vader vindt het niet goed. ""Ik moet bij mijn boeken blijven. Mijn vader heeft gemerkt: als je niet hard studeert krijg je klotewerk. Hij wil niet dat zijn kinderen later moeten afwassen.'' Van house muziek houdt Jeffry niet, zijn grote liefde is de hiphop en zijn hele lichaam staat naar dansen. Zoals alle toffe jongens draagt hij de veters van zijn dure sportschoenen los, en hij accentueert dat nog door met een paar extra sokken de tong van zijn schoen te laten opbollen.

Stelen? ""Ik respecteer mezelf. Ik ben geen dief, het past niet bij me. Als je in Ghana gepakt wordt, slaat de politie je dood, je raakt een been kwijt, ze slopen je helemaal. Nederlanders zijn, sorry, een beetje achterlijk. Bij de HEMA hebben ze niet eens een alarm! Stelen is makkelijk, maar iets wat makkelijk is is gevaarlijk. Ik heb twee handen, waarom zou ik niet gaan werken? Als mijn vriendin zou horen: Jeffry zit in de cel, dan wordt ze helemaal gek!''

Hell's Angels

Van de Hollanders is Martin de man met overwicht. Hij voelt zich verstandiger en ouder dan de meesten in de klas, maar hij kan het wel met zijn klasgenoten vinden. ""Er zijn soms scheldpartijen, kaaskop, nikker. Als ze mij kaaskop noemen sla ik erop. Er zijn op school heel wat agressieve jongens en criminelen. Ik heb zelf weleens vastgezeten toen ik een gozer op de kermis met een luchtdrukpistool in zijn schouder had geschoten. Ik ben gauw aangebrand. Nu ga ik niet meer met een mes op zak lopen. Ik weet hoe ik ben. Ik zoek het niet, maar ik ga het ook niet uit de weg.''

Martin heeft het niet van een vreemde. Zijn vader is een biker (een biker, legt hij uit, is een wat agressieve motorrijder) en zijn zoon groeide op in de omgeving van de Amsterdamse Hell's Angels. Een echte Angel is zijn vader nooit geweest, want je kunt er niet uitstappen. Als je er een keer in verzeild raakt, gaan de Angels vóór je gezin en daar had zijn vader nog net geen trek in. Martin kent Amsterdam-Oost als zijn broekzak. Twee jaar geleden zat hij nog in een jeugdbende, maar hij is er uitgestapt. Hij wil niet in dat milieu verzeild raken. Hij wil gewoon een eerbaar automonteur worden en zegt zich in zijn eindexamenjaar geen geintjes met de politie meer te kunnen veroorloven. ""Je hebt er geen moer aan. Ik heb bij de vrienden van mijn vader en moeder gezien wat er met je gebeurt. Je kunt zó geld maken, maar 't is ook zó weer weg. Als je werkt heb je minder tijd om je geld te besteden en omdat je ervoor gewerkt hebt geef je het ook minder snel uit.''

Martin heeft nu een andere hartstocht: zijn leven wordt beheerst door bodybuilding. Hij noemt het "geen hobby, maar een levenswijze'. Hij eet anders, drinkt niet meer, slaapt langer. Pillen slikt hij niet, daar maak je jezelf mee kapot. Hij heeft ook een pitbull, maar, zegt hij, onmiddellijk in de verdediging, het was maar een heel klein ondervoed puppy uit het asiel. ""Bodybuilders hebben vaak bulldoggen of pitbulls. Ik vind ze mooi, ze hebben mooie spieren en een mooie grote bek.'' Als ik toch bezwaar maak tegen de hond, zegt Martin verontwaardigd: ""Het is met pitbulls net als met buitenlanders, als er één iets doet krijgen ze allemaal de schuld!''

Martin mag dan verstandig geworden zijn, dat wil niet zeggen dat de troubles niet af en toe zijn pad kruisen. Zo hebben ze laatst bij een vechtpartij zijn neus gebroken, nadat hij er drie het ziekenhuis had ingeslagen. ""Als ik uitga, drink ik niet, want ik weet dat je dan vervelend wordt. Ik liep op het Rembrandtsplein en toen kwamen er twintig dronken Hagenezen om me heen staan. Twintig tegen één, dat doe je niet. Drie heb ik er gepakt en toen pakten ze mij. Voor mijn eigen trots moet ik die andere zeventien nu ook nog hebben en dat weten ze maar al te goed.''

Herrie

De hele week smeulde het al, de naderende gymles. Vrijdagochtend is de bom gebarsten. Een paar jongens kwamen niet opdagen, een paar waren hun gymspullen "vergeten', de rest kwam te laat. De gymleraar heeft moeite ze weer in het gareel te krijgen. Het is buigen of barsten. Twaalf minuten rondjes rennen. Eerst is het mokken geblazen, maar langzaam laten ze hun verzet varen. Uiteindelijk gaat het alleen nog maar om het beste resultaat. De jongenstrots komt bovendrijven. Elke extra afgelegde meter telt. Jeffry haalt de drie kilometer. Maar eenmaal terug bij de klasseleraar wint het mokken het weer van de prestatie.

Er is een scheuring in de klas: vier jongens willen wel gym (al durven ze het tegen de overmacht alleen schoorvoetend toe te geven), de rest verdomt het. Dat wordt schreeuwen. De argumenten: gym is geen eindexamenvak, de klas heeft vorig jaar ook geen gym gehad en is nu dus lichamelijk ernstig verzwakt, de leraar is een ramp, ze moeten steeds maar rennen ("We hebben al zo vaak geronnen!' roept een Marokkaan). De jongens willen liever praktijkles in plaats van gym. Jeffry verzet zich tegen de meute en gooit zijn kop in de wind: hij vindt gym belangrijk. Hoe moet hij anders prof-voetballer worden? ""Jij bent niet geschikt als automonteur'', roept Alfredo, met de bedoeling om hem op zijn hart te trappen, ""als je zo graag wil gymmen, ga dan gymleraar worden, mán!'' Maar Jeffry kaatst terug: ""Je lult, man. Als jij niet wilt gymmen, waarom ben je dan vandaag wel naar de les gekomen?'' Ogen schieten vuur, lippen worden minachtend opgetrokken, vuisten machteloos gebald en het toerental stijgt. Janssen laat ze uitrazen en stelt voor een klasseoudste aan te wijzen die met de directeur gaat onderhandelen. Opnieuw daalt wonderbaarlijk plotseling de rust over de heren neer. Proefwerk.

Vliegramp

Maandag is de stemming op school bedrukt. Heel wat kinderen wonen in de Bijlmer en de griezelige vliegramp ligt op ieders lippen. Achttien kinderen bleken in de getroffen flats Groeneveen en Kruitberg te wonen, maar godzijdank komen ze allemaal een voor een weer boven water. Sommigen zijn hun huis kwijt, anderen zijn gewond geraakt toen ze van het balkon afsprongen. Alfredo en Jeffry zijn niet op school. Ze hebben de hele dag rond de plek des onheils gezworven. Er wordt contact gezocht met het traumateam van de Bijlmer voor de nasleep van het ongeluk.

Rob Janssen maakt zich intussen op voor een nieuwe week. Een Marokkaanse jongen is na een paar dagen weer opgedoken. Hij was na ruzie met zijn vader van huis weggelopen. Daar moet een oplossing voor worden bedacht. Een Turkse jongen in een andere klas blijkt niet te handhaven, hij gaat naar een instelling waar aan zijn afwijkende gedrag zal worden gewerkt. Een meisje komt huilend op school nadat ze door haar moeder het huis is uitgezet, via het JAC wordt dit conflict gladgestreken. En een alleenstaande jongen heeft net gehoord dat zijn moeder in Suriname ernstig ziek in het ziekenhuis is opgenomen. Hij moet worden getroost. ""De school moet vastigheid bieden'', zegt de leraar motorvoertuigentechniek en deelt nieuwe opdrachten uit. De jongens hijsen zich in hun groene overalls.

    • Laura Starink