"Ben jij niet die kampioen van Nederland, vroeg een trimmer naast me'; "Ik geloof dat ze dit ook prachtig vonden. Zo'n onbekende die wat durft'; "Sorry, het spijt me, je gaat niet mee naar het WK. Verder zei hij niks.'

Onbekend was hij. TRISTAN HOFFMAN, zo maar kampioen van Nederland bij de beroepswielrenners. Nu is hij een beetje bekend en een beetje bemind. Aandacht en waardering. Wie is toch die renner in de kampioenstrui? Profrenner zijn kan zo mooi zijn, man.

Wanneer een wielrenner niet fietst, rust hij. Bij voorkeur in horizontale houding. Met zijn benen op de bank. Koekjes of ander aantrekkelijk voedsel binnen handbereik. Het seizoen zit er op. Het is voorbij, eindelijk voorbij. De benen vragen om rust, het hoofd vraagt om bezinning. De film wordt teruggedraaid. In het bijzonder bij Tristan Hoffman. Wie? Tristan Hoffman, de nationale kampioen bij de beroepsrenners.

“Hartstikke mooi man.” De guitige blik, het jongensgezicht, het trendy kapsel, de spontane stroom woorden verraden hem als een jonge, nog niet volgroeide, allerminst doorgewinterde professional. Ringetje in zijn linker oor. Hangend op de bank in de woonkamer van het rijtjeshuis van zijn ouders in Groenlo, herinnert hij zich die mooie dag in juni. De grote profs waren nog niet eens toe aan de uitvoering van hun taktische plannen of Hoffman en een zooitje knechten en novieten van het Nederlandse peloton, trokken ten aanval.

Wie is er zo gek om zo vroeg, als een amateur, tempo te gaan rijden? Ach, laat maar. De Limburgers rond het parcours bestelden hun eerste pils. De renners praatten over het weer, de komende Tour en nieuwe contracten. Ruim tweehonderd kilometer verder en ruim vijf uur later, was er nog één aanvaller over. Hoffman, 22 jaar, eerstejaars prof. Een talent? Niemand wist het. Nog weet niemand het.

Een simpele opdracht uitvoeren veranderde zijn leven. “Ik moest van Priem, mijn ploegleider, met de eerste ontsnapping mee zijn. Natuurlijk niet om te winnen. Er moest gewoon een renner van onze ploeg mee zijn. We waren al meteen met z'n zessen in de kopgroep. Allemaal kleine renners. Na een tijdje rond gereden te hebben, keek ik eens om me heen. De anderen zaten onmundig af te zien. Jantje Siemons, mijn ploegmaat, demarreerde het eerst. Hij werd teruggepakt. Toen ben ik gegaan. Ik kreeg alleen Vink mee. Vond ik al zo gek, alleen Vink.”

“Om te weten wat er achter me gebeurde, luisterde ik naar de speaker op het parcours. Toen ik hoorde dat ze dichter bij kwamen, op een minuut, begon ik op Vink te letten. Ik zag dat hij tegen kramp aan zat. Ik moest weg bij hem. Ik demarreerde. Ik schrok er gewoon van, zo hard. Maar het was wel mooi, god, mooi man. Maar Priem kwam naar me toe en zei: "Rustig, niet te hard.' Die was natuurlijk bang dat ik me stuk zou rijden.”

“Twee ronden voor het einde werd ik onrustig. Ze zaten op een minuut. Ik ben geen klimmer. Maar als ik het vol wilde houden, moest ik zo hard mogelijk naar boven rijden. Ik dacht dat als ik boven nog steeds een minuut heb, en ze horen dat, dan breekt hun moraal. Dan weten ze dat ze niet meer terugkomen, dat ik niet stuk zit. Nou, ik was zo onmundig moe, ik reed bijna tegen de hekken. Ik durfde het niet te geloven dat ze nog niet terugkwamen. De volgauto's bleven maar achter me rijden. Ik dacht: dat kan toch niet. Ze zullen zo wel tussen de auto's vandaan komen.”

“Pas tien meter voor de finish geloofde ik het. Ja, ja, mooi, mooi. God, mooi man. Het publiek begon op de reclameborden te slaan en te schreeuwen. Dat gaf een extra kick. Ze willen toch eigenlijk dat een grote wint. Maar ik geloof dat ze dit ook wel prachtig vonden. Zo'n onbekende die wat durft.”

Zijn leven veranderde. Hij moest zijn leven veranderen. Het kampioenschap zou voorlopig zijn laatste wedstrijd worden. Hij was na het drukke voorjaar, de Ronde van Zweden, de Ronde van Asturië wel aan een weekje rust toe. Met een vriend wilde hij na de wedstrijd in Limburg blijven, een beetje vakantie houden, “iets moois doen”. Nu moest hij “hals over kop” naar huis. “Mijn vriendin zei later dat ik de hele weg in de auto niks had zegd. Ik zat maar voor me uit te staren. Ik weet niet eens meer wat ik gedacht heb. Ach, misschien was ik gewoon hartstikke moe. Dan voel je toch eigenlijk niks meer.”

“We reden de straat in. Stond er een bord "Wegopbreking'. Dat kan niet, dacht ik. Toen we via een omweg de straat inreden, zag ik onmundig veel mensen voor het huis. Er was een geluidsinstallatie. Er stond een bierpomp van Grolsch. Dat ze dat zo snel geregeld hebben, vroeg ik me nog af. Zo onverwacht kampioen worden kan nooit meer. Hoe weten ze dat zo snel? Mensen die 's middags de televisie aanzetten en dan zeggen: "O God, dat is Hoffman. Die Hoffman die hier in Groenlo woont.' Het was wel mooi man. Om half vier ging ik pas naar bed. Maar ik kon niet slapen. Ik had onmundig veel honger, want ik had sinds de finish niks meer gegeten. En mijn lichaam was nog onrustig hè. Maar het was wel mooi man.”

Tristan Hoffman moest zich de huldigingen laten welgevallen. Wel mooi. “Maar als ze de hele week vragen of je nu ook naar de Tour gaat en je moet nee zeggen. Dan word je dat wel spuugzat. Ik ben een weekje naar een camping in Limburg gegaan. Ik dacht daar kennen ze me niet. Maar toen ik een keer ging fietsen, kwam er een trimmer naast me rijden: “Ben jij niet die jongen die kampioen van Nederland is geworden?' Ach ja, het is wel mooi om kampioen te zijn natuurlijk.”

Hij werd als kampioen een veelgevraagd renner in de criteriums. Tien reed hij er. In de Draai van de Kaai van Bergen op Zoom won hij. “Toch wel mooi hoor, die criteriums. Die kermis er omheen. Je wordt steeds naar voren gehaald in die kampioenstrui. Al die aandacht. Begon er weer een met een toespraakje, werd ik weer gehuldigd. Toch een stukje waardering, zeg ik dan. Maar dan kwam je om 2 uur 's nachts thuis en kon je niet slapen. Zo onrustig was je dan. Soms blijf je de hele dag op bed liggen. Je raakt helemaal uit je ritme. In etappekoersen viel ik nooit af. Nu wel, hardstikke moe was ik. Daar stond ik wel van te kijken.”

“Ze kwamen naast je rijden, de renners, in het peloton. Hoe dat nou kon, dat ik kampioen werd? Nou, dat wist ik ook niet. Met Jantje Siemons heb ik het er ook over gehad. Als hij niet bij Breukink was gebleven, was ik het misschien nooit geworden. Als Breukink en hij bij mij waren gekomen, was Jantje waarschijnlijk kampioen geworden. Dat wist Jantje ook wel. Maar toen ik hoorde dat Jantje bij Breukink zat, wist ik dat het goed zat. Die zou zijn werk voor mij doen. Siemons is niet zo. Die rijdt niet voor zichzelf. Goed, ik krijg nou de eer. Maar de hele ploeg verdient mee. Dat hadden de avond tevoren besproken. Ik had het Jantje wel gegund. Zo'n renner die altijd alles voor een ander doet. Nou is hij gestopt. Als hij kampioen was geworden, had hij nog een jaartje door moeten gaan.”

Een nationaal kampioen hoort in de ploeg voor de het wereldkampioenschap. Dat is de traditie, dat is in elke wielernatie regel, dat is wat de kampioen verdient. Bondscoach Knetemann nam Hoffman op in de voorlopige selectie, maar liet hem op het beslissende moment thuis. In de laatste wedstrijd voor het wereldkampioenschap, Veenendaal-Veenendaal, had Hoffman mogen aantonen dat hij over de vereiste conditie beschikte. “Dat was de afspraak. Knetemann zou na de wedstrijd de knoop doorhakken. Maar hij kwam al vóór de start naar me toe. "Sorry, 't spijt me. Je gaat niet mee naar het WK.' Verder zei hij niks. Dat vind ik geen afspraken nakomen. Als het zo moet.”

“Ik heb er niet aan gedacht te vragen waarom hij toen al wist dat ik niet meeging. Ik was er gewoon te verbaasd over. Op de televisie zei hij dat ik mijn paspoort was vergeten toen ik naar Engeland moest. Dat was een minpuntje, zei hij. Ja, misschien bedoelde hij dat hij zulke renners niet kon vertrouwen. Niet prof genoeg. Maar ik vond het erg flauw. Dat kon nooit de reden zijn. Hij heeft niet eens naar het ware verhaal gevraagd. Ik was mijn paspoort in Spanje verloren. Omdat we met de auto naar Frankrijk reden om daar met een binnenlandse vlucht naar Lille te vliegen om vandaar weer verder met de auto te rijden, was er nergens paspoortcontrole geweest. Dus merkte ik niks. Pas toen ik een paar dagen later naar Engeland moest, merkte ik dat ik mijn paspoort kwijt was. Een Belgische renner heeft hem nog gevonden in Spanje. Maar als dat de reden is om mij niet te selecteren. Ik had toch goed mijn werk kunnen doen. Wat hebben die anderen nou gepresteerd?”

Hij heeft er niet lang bij stil gestaan. “Alleen op dat moment in Veenendaal vond ik het een klotestreek.” Begin september nam hij revanche in de Ronde van Toekomst (een ronde voor renners tot 25 jaar) door twee etappes te winnen. “Had ik laten zien dat ik geen eendagsvlieg ben.” Beide etappes won hij in een massasprint, waren de berichten. “Ach nee”, relativeert hij, “ik reed gewoon voor in het peloton. Ik was weggesprongen en kon de rest op de finish nog net voorblijven.” Niettemin ziet zijn ploegleider Priem in hem een toekomstig sprinter. “Begrijp ik eigenlijk niet. Hij heeft me aangetrokken voor de klassiekers, omdat ik die bij de amateurs goed reed. Maar nou rijd ik juist alleen de etappekoersen goed. Ach, ik kom er wel. Ik heb nog jaren om te groeien.”

Het is nog wennen in zijn kampioenstrui. “Als je Bugno en Indurain naast je ziet, die toch ook kampioen van hun land zijn, dan voel je je toch wel klein. Maar langzaam beginnen ze me te kennen. Want je ziet ze toch aan elkaar vragen wie die jongen in die roodwitblauwe trui is. En als ik van voren rijd, zie je ze toch kijken. Ik val op. Ze letten nu op mij. Vorig jaar was het andersom. Als ik Breukink of Maassen naast me zag rijden, dan werd ik voorzichtig. Dan was ik bang dat ze door mij zouden vallen. Maassen is weleens naast me komen rijden om te vragen wat ik zo allemaal kon. Goh, zei hij toen, dan ga ik je toch eens in de gaten houden.”

Een aangepast contract, een nieuwe bescheiden auto en een stijging op de FICP-puntenlijst. Het leven heeft onverwachte wendingen. “Mooi man, profwielrenner zijn. Voor het kampioenschap had ik nog nul punten. Nu ga je beseffen dat punten belangrijk zijn. Voor je toekomst, voor je salaris. Of Hoffman een kopman kan worden, weet ik niet. Ik moet zorgen dat ik fel blijf. Dat zeg ik elke dag tegen mezelf. 't Zal wel moeten. Je kunt wel gaan knechten, maar als de nood hoog is ben je de lul. Dat zie je maar aan al die jongens die nu geen contract krijgen. De kopmannen hebben allemaal een ploeg, de knechten niet. Iedereen gaat voor zijn eigen kans rijden.”

Tristan is een uitzonderlijke naam, beseft hij. “Priem zegt Christian, anderen Tristian. Als ik het uit moest leggen, zit ik de hele dag op de fiets te praten. De Belgen zeggen gewoon U. U moet ook eens op kop rijden. Gewoon Hoffman is makkelijker. Is Tristan niet iets van vroeger?” Zijn moeder komt uit de keuken om te vertellen dat ze Tristan wel een mooie naam vonden. 't Had ook een Isolde kunnen zijn. “Maar dat was toch een meisje?” Dat Tristan de hoofdpersoon is in de Keltische sage over het geliefdste minnepaar van de Middeleeuwen, ontgaat hem lichtelijk. “Het schijnt een triest figuur te zijn geweest. Nou, dat klopt helemaal niet met mij. Want ik ben niet triest. Ik ben vrij optimistisch van mezelf. Ik zie altijd de goede kanten van het leven. Misschien ben ik daarom wel kampioen geworden.”

    • Guus van Holland