"Als ik terugga, trek ik een uniform aan'

Haar ogen stralen. “De school is begonnen, de verveling voorbij. En ik ben overdag uit de buurt van mamma.” Janny Nozinovich, die sinds begin augustus verblijft in het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch, repeteert al lopend wat ze de afgelopen twee weken heeft geleerd. Ze telt in bijna foutloos Nederlands tot veertig en zegt na wat in etalages staat uitgestald: “Een jas, een jurk, schoenen.”

Ze zag er wel tegen op: “We komen in een klas tussen Hollanders. Ik zal niets begrijpen en het zal niet zo zijn als vroeger toen ik in alle vakken uitstekend was en alleen voor gedrag altijd een onvoldoende had”, schreef ze op 2 oktober in haar dagboek. Toen op 5 oktober de lessen begonnen, had ze zich drie keer verkleed voordat ze naar school ging. “Gisteren de hele dag nagedacht wat ik aan moest trekken. De keus is klein. Zwarte ribbroek, een overhemd en de jas van Senka. Ik voelde de zenuwen toen we de school naderden. Alles is anders, de school is schoon, geen lawaai, de lokalen zijn klein en de stoelen oncomfortabel. Niet zoals bij ons waar je lekker kunt zitten hangen.”

De leraren zijn leuk, maar wat ze leert is nog leuker, zegt ze: “Rekensommen. Zes plus drie is negen. Nederlandse woordjes. Net alsof we in de eerste klas van de lagere school zitten, terwijl ik al veertien ben.”

Even trekt een sombere waas over haar gezicht. De tegenstelling tussen de school in Den Bosch en haar middelbare school in Zvornik is groot. “Ik zou ik niet zijn als ik huil wanneer ik hier een groepje leerlingen zie zitten plezier maken. Dan denk ik aan mijn eigen schoolvriendinnen. Acht maanden geleden waren wij ook zo onbezorgd. En nu? Veel van hen zijn dood en van veel anderen is niets bekend”, noteerde ze begin oktober in haar dagboek.

Het liefst zou ze nu aleen met haar moeder, haar broertje en tante Nura een aparte kamer willen hebben in het opvangcentrum, al was het maar om ongestoord huiswerk te kunnen maken. “Waar moet ik leren?! Iedereen zit in de kamer. Als ze ons een kamer per gezin hadden gegeven hadden we nooit problemen gehad. Maar ze hebben gewoon zomaar mensen bij elkaar op de kamers gezet. Thuis waardeerde ik nooit wat ik had, nu heb ik er ik-weet-niet-wat voor over om een eigen kamer te hebben, waar een bed in past, waar ik alleen kan zijn. Ik kan alleen leren als het helemaal stil is”, schreef ze in haar dagboek.

Op 8 oktober was het zeven maanden geleden dat Zvornik werd aangevallen. “De gedachte daaraan maakt me misselijk”, zegt Janny. “De Chetniks (Servische strijders, red.) waren al aan het plunderen. Met een paar vrienden haalde ik uit zelfbedieningswinkels eten voor de bevolking. Achter elkaar vielen granaten, je kon ze niet tellen. Ik ben er tussenuit geknepen. Het schijnt dat in Zvornik het leven gewoon doorgaat. Maar mijn vroegere leraren zijn nu Chetniks en ons, moslims, zijn ze vergeten. Hier is een man uit Goradze gekomen die in Kula was. Elke dag hebben ze hem in het concentratiekamp geslagen. Hij is 26 maar hij ziet eruit alsof hij 50 is.”

De dagelijkse gang naar school biedt afleiding, maar niet voldoende. Het verlangen snel weer terug te kunnen naar Bosnië blijft knagen. “Moeder zegt dat we teruggaan zodra het vliegveld van Tuzla weer open is. Als ik terugga, trek ik een uniform aan. De Chetniks denken wel dat we nooit meer zullen terugkomen, maar dan doen we wel. Wanneer dan ook, ik zal terugkeren naar mijn vaderland. Daar liggen de botten van mijn overgrootvaders. Daar zullen ook de mijne liggen.”

    • Anneke Visser