Wiarda: ministerie wet en orde Zuid-Afrika opheffen

UTRECHT, 16 OKT. De geloofwaardigheid van de Zuidafrikaanse politie kan alleen worden hersteld als het ministerie van wet en orde wordt opgeheven. In een democratische samenleving is zo'n concentratie van macht onaanvaardbaar. Voorts zal het politie-apparaat een dialoog moeten aangaan over zijn eigen functioneren, intern, maar ook met vertegenwoordigers uit de samenleving.

De Utrechtse politiecommissaris J. Wiarda concludeert dit na een bezoek aan Zuid-Afrika, waar hij vorige week een seminar bijwoonde over de toekomst van het politie-apparaat in dat land. De bijeenkomst was belegd door het Institute for a Democratic Alternative for South Africa van de voormalige liberale oppositieleider Van Zyl Slabbert. Aan de discussie namen politie-officieren en vertegenwoordigers van ANC en Inkatha deel.

De geloofwaardigheid van de 120.000-koppige Zuidafrikaanse politie heeft een absoluut dieptepunt bereikt, nadat diverse onderzoekscommissies haar functioneren genadeloos hadden bekritiseerd. Daags voor het seminar kondigde minister Hernus Kriel van wet en orde aan dat van de 55 blanke politiegeneraals er 13 vervroegd met pensioen worden gestuurd. Bovendien zal het politie-apparaat worden gereorganiseerd en gedecentraliseerd.

In oppositiekringen wordt een nieuwe valstrik gevreesd. De schoonmaak in de top zou vooral "overtollig vet' betreffen; de echte diehards zijn niet verdwenen. Voorts kan de decentralisatie de gehate politiekorpsen in de thuislanden versterken. Een nieuwe regering met het ANC zou dan geen greep meer hebben op het politie-apparaat.

Wiarda is niet zo bezorgd over dat laatste. Volgens hem is het juist zaak te voorkomen dat de politie nog langer of opnieuw speelbal van politieke grillen wordt. “De macht moet zo verdeeld worden dat je die niet meer kunt veranderen. Daarvoor moet de politie weer onder de civiele autoriteit vallen en een open dialoog met de samenleving aangaan. Er moet een netwerk van checks and balances komen, zodat àls het apparaat in een ondemocratische richting gaat, er onmiddellijk aan de touwen wordt getrokken.” Een voorwaarde is dat de vervolgingsfunctie bij de politie wordt weggenomen. “Er moet een Openbaar Ministerie komen. Je ziet in Engeland wat voor gewelddadige ontsporingen mogelijk zijn als je de opsporing en de vervolging in één hand laat.”

Er er zal gepraat moeten worden. “Sinds 1948 functioneerde de politie als onderdrukkingsapparaat. Politieagenten hebben meegedaan, zijn er bij geweest of hebben er van geweten, en hun werd voorgehouden dat het rechtvaardig was. Dat verandert niet zomaar in opdracht van een generaal. Veel blanke politiemensen hebben traumatische ervaringen, die je het beste kunt vergelijken met frontervaringen. Daar blijft een mens z'n hele leven mee bezig. Het wordt toegedekt, afgesloten, er mag niet over worden gepraat en dat leidt tot verstarde mensen.”

Wiarda somt alle gradaties op die in de oorlog de Nederlandse korpsen bevolkten, van heulend, volijverig, gereserveerd of bang tot aktief verzet plegend. “Binnen de politie kropen die mensen na de oorlog in eigen kringen bij elkaar. De roomsen die goed waren zaten daar en de roomsen die fout waren zaten op een andere plek. Ik snapte nooit waarom er bij het Utrechtse politiekorps in de jaren zestig nooit iets kon veranderen. Todat een adjudant tegen mij zei: de oorlog wordt nog steeds gestreden. Vernieuwingen waren pas mogelijk toen de oorlogsgeneratie rond 1980 met pensioen ging.”

Voor Zuid-Afrika geldt hetzelfde. “Van Zyl Slabbert heeft daar op de televisie ook over gesproken. Wie heeft er niet een lijk in de kast liggen? zeggen ze daar. Tot in lengte van jaren zullen de oude koeien uit de sloot gehaald worden; en het zijn geen geringe koeien. Maar je kunt het politie-apparaat niet opheffen. Een zuivering lost het probleem niet op, maar uit een oogpunt van rechtvaardigheid moet je stellen dat halsmisdrijven bestraft moeten worden.”