Vrijdag 16; Megabioscoop

Het filmbedrijf heeft geen gebrek aan grote woorden. Met regelmaat maken berichten melding van plannen voor de bouw van een reeks geavanceerde megabioscopen: comfortabele en "luxueus uitgevoerde' multiplextheaters (ook aangeduid als mammoetcomplexen) die ten koste van zeker 200 miljoen gulden in de drie grote steden moeten verrijzen.

Het nieuws geeft in eerste instantie een gevoel van voldoening. Eindelijk is het dan zover - een land waar het filmbezoek volgens de laatste cijfers op het niveau ligt van Albanië, haalt alsnog zijn achterstand in.

Maar zoals dat in Nederland gaat, komt al gauw de bezinning. Dan realiseert men zich wie al die plannen voor grootschalig vertier aan het Amsterdamse IJ, het Rotterdamse Schouwburgplein en in Scheveningen lanceert. De meeste ervan zijn afkomstig van het Cannon-concern dat in de Randstad een monopolie heeft en er, nu al jarenlang, geen kans toe ziet aan het gros van zijn zalen minimale zorg te besteden. Uitgerekend deze onderneming wil nu luxueuze, comfortabele supercomplexen gaan exploiteren. Is dat niet een ietsje hoog gegrepen? Voor alle aandacht uitgaat naar de filmpaleizen van de toekomst, is het misschien beter eerst eens de bezem te halen door de Augiasstal van de bioscoop van vandaag.

Zo'n bezem kan daadwerkelijk goede diensten bewijzen. Een bezoeker van de eerste avondvoorstelling struikelt over halfvolle flesjes en kan pas gaan zitten als hij de ijswikkels en snoepdozen van de stoel heeft geveegd. Meestal lukt het de werknemers, verdiept als zij zijn in kaartspel en kruiswoordpuzzel, nu eenmaal niet zich tien minuten vrij te maken om het afval van het middagpubliek tijdig op te ruimen. Ook komen zij er vaak niet aan toe de zaaldeuren tot het eind van de voorstelling gesloten te houden.

In een Rotterdams theater staakte de projector onlangs ruim vijf minuten voor het eind van Bugsy zijn werk - en ja, zo laat in de middag was er natuurlijk niemand aanwezig die het euvel kon verhelpen.

Erger dan dit alles is dat het concern vasthoudt aan zijn eigen lumineuze idee films op een willekeurig ogenblik te stoppen om meer bier en ijs te verkopen. Deze praktijk leidt tot een gigantische tijdverspilling. Ervan uitgaande dat zo per voorstelling een kwartier wordt vermorst en een liefhebber gemiddeld vier films in de maand ziet, komt dit ongevraagd pauzeren over een periode van vijftien jaar neer op een verlies van 180 uur. Een redelijke compensatie hiervoor lijkt op zijn plaats. Het minimumloon als uitgangspunt nemend, kom ik voor mijzelf op een substantieel bedrag dat onmiddellijk kan worden overgemaakt naar het Filmfonds: een subsidiepot voor het werk van filmers die in de betreffende bioscopen geen kans krijgen.

Voor het tot de bouw van de megabioscopen komt, zou de onderneming er goed aan doen ook nog een som geld te storten op de rekening van het Bio-revalidatiecentrum. De Bio-filmpjes worden nog altijd braaf vertoond, maar het is lang geleden dat er een collectebus in de zaal rondging.

    • Paul Hellmann