Voor Indonesisch leger is Het Gevaar nog steeds geel

JAKARTA, 14 OKT. Sinds het einde van de Koude Oorlog vragen generaals zich overal ter wereld af wie nu de vijand is. Zo niet de Indonesische chef-staf, Try Sutrisno. Voor hem is Het Gevaar nog steeds Geel, en het komt vooral uit Peking.

Ter gelegenheid van de Dag van de Strijdkrachten liet de vier-sterren-generaal afgelopen week een beschouwing voorlezen in de Padjadjaran Universiteit van Bandung. Daarin schilderde hij een verontrustend scenario: de VS dunnen hun troepenmacht in Azië en het Stille-Oceaangebied uit, regionale mogendheden beginnen een wapenwedloop en de Volksrepubliek China kookt over.

Generaal Try: “In de Verenigde Staten begint de mening post te vatten dat het geen zin heeft een zo grote militaire aanwezigheid te handhaven in een regio waar geen vijand is. Bovendien kampen de VS met grote economische problemen.” Een afnemende Amerikaanse invloed in dit gebied kan een gevaarlijke situatie scheppen, aldus Try. “Mogendheden in opkomst, zoals China, Japan en India, zullen in Azië om de voorrang strijden en een regionale wapenwedloop zal traditionele conflicten doen ontvlammen.”

De meeste aandacht besteedde Try aan een "oude vijand', de Volksrepubliek China. Volgens hem zal dat land het komende decennium alleen maar aan invloed winnen, zowel economisch als militair. “De oude droom van een Groot China”, aldus de generaal, “zal een schaduw werpen over de landen rondom de Zuidchinese Zee.”

Try voorspelde dat de teruggave van Hongkong en Macao aan China, respectievelijk in 1997 en 1999, de Chinese economie beslissend zal versterken. Volgens hem heeft de recente modernisering van het Volksbevrijdingsleger positieve resultaten afgeworpen en beschikt Peking over de getalsmatig sterkste krijgsmacht van Azië en het Stille Oceaangebied.

Hij wees ook op de groei van China's bevolking, nu 1,15 miljard zielen. “Die demografische explosie - Try sprak van 1,25 miljard, een overdrijving van 100 miljoen - zal nieuwe emigratiegolven in de hand werken en die bewegen zich doorgaans in zuidelijke richting”, waarschuwde hij. “Stel dat een intern conflict uitbreekt tussen hervormers en conservatieven en zo'n tien miljoen Chinezen zoeken hun heil in Indonesië?” Een sterk China, zo besloot hij, vormt een economische en militaire bedreiging voor zijn buren, maar ook een zwak China kan de regio destabiliseren.

Daarmee is het Indonesische veiligheidsdebat in zekere zin terug bij af. Op 8 augustus 1990 zetten Peking en Jakarta een punt achter hun eigen Koude Oorlog: ze herstelden de diplomatieke betrekkingen die Soeharto in 1967 had verbroken omdat hij de Volksrepubliek beschouwde als kwade genius achter de couppoging van september 1965. De tijd was er rijp voor, zo meenden president Soeharto en zijn minister van buitenlandse zaken, Ali Alatas, twee jaar geleden.

Indonesië boekt de laatste jaren aanzienlijke economische successen en ambieert een leidende rol in Zuidoost-Azië. Zo leverde het land een actieve bijdrage aan het ontwarren van de Cambodjaanse knoop en ontbeerde daarbij een rechtstreekse ingang in Peking, tenslotte een hoofdrolspeler in het drama-Cambodja.

Bovendien nam de handel tussen de Volksrepubliek en Indonesië de laatste jaren een grote vlucht - in 1989 beliep die al 1 miljard dollar - en Indonesische zakenlieden misten de ondersteuning van een ambassade in Peking. Jakarta's politieke en economische ambities vereisten een betere relatie met de tweede supermacht in Azië.

Dat de normalisasi uiteindelijk is bekokstoofd door Soeharto en Alatas, werd de president niet in dank afgenomen door zijn eigen legertop. De Strijdkrachten van de Republiek Indonesie (ABRI), voelden zich gepasseerd en hebben het normalisatieproces zo'n anderhalf jaar gerekt. In de hoofden van veel generaals leeft nog steeds de dominotheorie. Zij beschouwen zichzelf als de redders van het vaderland, die in 1965 hebben voorkomen dat ook de Indonesische steen omviel onder de druk van Peking. Het was tenslotte de ABRI die op 1 oktober 1965 een einde maakte aan wat in Jakarta wordt beschouwd als een door Peking gesteunde poging tot een staatsgreep van de communistische partij (PKI). Daarbij lieten zes ABRI-generaals het leven en dat werd hier vorige week nog eens met militair vertoon herdacht.

Toch zijn generaals niet blind voor de tekenen des tijds. Ook Azië beleeft een detente. Ideologische overwegingen maken plaats voor de afweging van economische belangen. Het belangrijkste struikelblok voor de normalisatie was dan ook een binnenlands probleem: het vraagstuk van de vier miljoen etnische Chinezen in Indonesië. Vooral binnen de strijdkrachten worden die beschouwd als een potentiële vijfde colonne. Vandaar Try's schrikbeeld van "nog eens tien miljoen Chinezen erbij'.

Het einde van de Koude Oorlog lokte zowel in Jakarta als in andere hoofdsteden in Zuidoost-Azië een discussie uit over regionale veiligheid. De eerste vraag is uit welke hoek die het meest wordt bedreigd. Het was nota bene een Rus die de eerste aanzet tot een antwoord gaf. Op 23 april hield professor Gennady Tsjoefrin, onderdirecteur van het Instituut voor Oriëntaalse Studies in Moskou, op uitnodiging van het Indonesische Centrum voor Strategische en Internationale Studies (CSIS) - een denktank van het leger - een lezing in Jakarta. Hij zei dat de slinkende militaire aanwezigheid van Rusland en de VS in Azië en het Stille Oceaangebied ertoe kan leiden dat "de machtsaanspraken van regionale mogendheden als China en Japan zulke proporties aannemen dat ze de veiligheid in het gebied in gevaar brengen'.

Nu de Sovjet-dreiging is weggevallen, stelt Japan zich assertiever op. Tokio is inmiddels opgeklommen tot de positie van grootste geldschieter en investeerder in Zuidoost-Azië. Een jonge generatie Japanse politici dringt aan op een actiever internationale rol voor Tokio, ook op niet-economische gebieden. Zo stelde Japan dit jaar manschappen van zijn Zelfverdedigingsmacht beschikbaar voor het vredesleger van de VN in Cambodja; een novum. Tot dusverre hebben de oplopende defensie-uitgaven van Japan in Zuidoost-Azië vooral wantrouwen gewekt. Toch liet Soeharto vorig jaar weten dat het “Japans soevereine recht is om vredestroepen te sturen onder VN-vlag”.

Bij ontstentenis van een nieuw regionaal veiligheidsstelsel hoopt Indonesië op een blijvende Amerikaanse rol, al was het maar als tegenwicht tegen China en Japan. Eind april kwam de Amerikaanse minister van defensie, Dick Cheney, naar Jakarta om zijn "Indonesische vrienden' gerust te stellen. Hij verzekerde hen dat Washington zich blijft inzetten voor de veiligheid van Azië en hij wees het idee van een dreigend machtsvacuum in de regio van de hand.

Hij voegde eraan toe dat de VS na ontruiming van de Amerikaanse luchtmachtbasis Clark (vorig jaar) en de marinebasis Subic Bay (vorige week) in de Filippijnen niet op zoek zijn naar vervangende bases. Cheney: “We hebben de laatste jaren geleerd dat we geen traditionele militaire steunpunten nodig hebben om te voldoen aan onze verantwoordelijkheid voor vrede en stabiliteit.”

De Amerikaanse aanwezigheid in de regio wordt gereduceerd tot een logistiek marinecommando, dat krachtens een akkoord met Singapore van november 1990 wordt verplaatst van Subic Bay naar het eilandstaatje. De Amerikanen bestuderen een aanbod van Indonesi om op commerciële basis gebruik te maken van de marinewerf in Surabaya voor reparatie en onderhoud van hun oorlogsschepen.

Volgens Mochtar Kusumaatmadja, Indonesië's vorige minister van buitenlandse zaken, zullen “de Amerikanen Zuidoost-Azië niet de rug toekeren, maar dringen ze aan op het verdelen van de lasten: de ASEAN-landen zullen zelf een grotere bijdrage moeten leveren aan hun veiligheid”.

    • Dirk Vlasblom